Herfst

Ik fiets alleen door de pijnlijk heldere nacht.
De hele wereld is in rouw of doet alsof. De mensen sluiten eerbiedig hun ogen, en sluiten zich af van al wat plaats vind. De maan is stervende en buigt vermoeid het hoofd. De sterren aan het firmament zijn de gaatjes van de zwartfluwelen doek waarmee de zon gesluierd gaat.
Ook de bomen waaronder ik rij laten triest hun fiere houding varen en buigen diep en kreunend mee met de wind. Ook zij rouwen omdat met de maan, ook de zon stervende is. Iedere dag laat deze bron van licht zich zwakker en minder zien, en het lijkt weer alsof zij dit seizoen niet overleven gaat. Daarom rukken de bomen zich van wanhoop de trotse pruik van het hoofd, en afgestorven, vergeelde blaaren liggen als plukken haar in het doucheputje verspreid over de straten. Wat nog aan de takken zit is ook niet veel meer, en valt met geen shampoo meer te redden.
De zon schreit, op haar sluier zie ik de wolkige vlekken die haar tranen hebben achter gelaten in een matte glinstering. Zij slaagt er nu niet meer in de rode aarde te koesteren in warmte, waarin je je wentelen kan, liggend op de grond, genietend van de verzengende temperaturen die de zorgen uit alles weg laten spoelen, als een frisse straal helder water op een stoffig trottoir.
Nu lijkt de aarde zich van haar af te keren in nijd of onmacht, en wordt door die houding koel en bitter. Ze sluit haar poriŽn de grond is hard en ondoordringbaar, en nodigt zeker niet uit om op te liggen. De wind doet een poging de nare atmosferen weg te blazen, maar moet aan kracht inboeten voor deze tijding, die onomkeerbaar lijkt. Hoe hard zij ook blaast, de verrotting is ingezet en wil niet wijken.
Morgen zal de zon een laatste poging doen met haar koude stralen, een laatste hopeloze poging van een terminale patiŽnt. De mens reikt haar een helpende hand, verzet de klok zodat zij langer aanwezig lijkt, maar er zit niets anders op dan het creŽren van kunstmatig licht.
De hele wereld is in rouw.
Fietsende druipen dikke droppels water in niet aflatende droefenis over mijn wangen, ik proef ze op mijn lippen. Een enkele dringt zelfs door tot in mijn kraag, voor ik ze wegveeg.
Zo rouw ook ik, de tranen worden mij door de regen aangereikt
Mijn kreet van verdriet is het gieren van mijn dynamo die al net zoveel moeite heeft als de zon, en mijn armzalige lichtje priemt dapper maar zinloos voor me uit, proberende het zwart te doorklieven. Het rood geeft het regelmatig even helemaal op, zodat ik meteen in een tweedimensionaal beeld verander, dat slechts een voorkant bezit. Balancerend op de drie centimeters die mijn wielen breed zijn probeer ik me niets van de treurnis van de elementen aan te trekken. Ik wens niet mee te werken aan deze tijd van vergangenis.
Ik denk aan straks, als iedereen zich bij de dood van de zomer heeft neergelegd, en de halve wereld het verdriet zal verwerken, toegedekt onder een ijzig bleke lijkwade. Dat het water zal stoppen met stromen en de vogels zullen zwijgen omdat ze na zo'n gebeurtenis toch niet door kunnen gaan. Dat alles zich terugtrekt en in slaap de dood imiteert uit respect. Dat de waterspiegel zelfs haar breekbaarheid op zal geven en me toe zal staan om op haar te lopen, om zo door verdriet opgetild tot onwerkelijkheid, het onmogelijke te doorbreken.
Wanneer zelfs de dunste takken zich sterk zullen maken en het dikke doodskleed, voorzichtig vlok voor vlok aangebracht, zullen torsen. Wanneer het diepe zwartblauw van de hemel zal vervagen tot een ijle kleur, die ik net zo min kan bevatten als de lucht zelf. Wanneer de sneeuw de geluiden zal dempen, omdat men in een rouwend huis geen geschreeuw wenst.
Daarom vraag ik als ik 's nachts fiets, maar aan de wanhoop die in regen en schichten flitsende pijn aan de hemel nu nog te zien is, merk ik dat het nog wel even zal duren voor de natuur zich neerlegt bij de ramp die plaatsvindt en haar accepteert, nu vecht ze er nog tegen.
Het onomkeerbare is misschien toch nog te stoppen.