De krokodil hoort in het water

"Weet je wat het is meneer? De mensen hebben geen tijd meer om even stil te staan. Alleen aan hun eigen dingen denken ze. Zo iemand als u die altijd hier een krant koop, dat is uniek hoor. Vandaag ook weer, ben u mijn eerste klant. Maar ja, dat is logisch in deze periode." Ik knik even en wil 1,50 geven aan de straatkrantverkoper. Ik kijk hem vragend aan. "Ja, u weet wel, de examens komen er aan en dan zijn ze allemaal in de stress. Zeker als ze mij zien. Zonder diploma ben je nergens en dan zien ze d'r eigen of d'r kind hier al staan." Ik denk na. "Doe er dan maar twee" zeg ik en ik loop door met in elke hand een straatkrant.

Poeh, examens. Lang geleden zeg. Ik zie het weer voor me. Met zijn allen in die veel te kleine gymzaal, iedereen zweten, met klamme handen de lauwe koffie en de pen vasthoudend. Ik had weer de pech dat schuin voor me die blonde stoot zat, met haar bloedmooie benen in een veel te kort rokje. Ze deed het met opzet, je weet nooit wat het oplevert. Geen bal, het schaap slaagde als enige van de veertig kandidaten van het atheneum niet en ik probeer mijn rijtje te bedenken. Mijn rijtje vrienden en vriendinnen. Ik heb overal rijtjes voor, dat onthoudt makkelijk en ik weet nu mijn rijtje niet meer.

Bovendien, achttienjarige meisjes in veel te korte rokjes zijn al lang niet meer mijn werkterrein, hoewel ik dat graag anders zou zien. Nee, tegenwoordig zijn het de eens zo oude varianten, de halfweg in de dertig zijnde dames die er nog hip uit willen zien. Mode is voor iedereen, maar niet per sÚ voor hen. Dat blijkt ook bij deze. Ze spreken me echter stuk voor stuk aan, alsof ik uitstraal dat ik daar op zit te wachten. Maar niet nu, niet nu, niet nu! De examens beginnen en ik heb een dochter, realiseer ik me. Die straatkrantverkoper had gelijk, je vergeet de dingen. Je staat niet stil. Ik moet snel naar huis, ik moet kijken of ik haar nog moet helpen. Ze moet slagen!

Terwijl ik me suf peins hoe mijn rijtje in hemelsnaam ging, loop ik op goed geluk een straat in. Ik ben verward, merk ik, en de weg kwijt. Ik prevel mit nach nebst samt bei seit zu zuwider entgegen au▀er aus binnen gemń▀ gegenŘber als een mantra voor de vertwijfelde vader die zijn rijtjes zoekt en zie dat ik langs een coffeeshop loop. "John Lennon is dood!" Ik roep het in een poging weer iets van die tijd terug te krijgen, toen ik nog jong was. Maar deed ik toen wel examen, in 1980? "2pac ook" zegt een suf ogend ventje met petje en ik voel de generatiekloof en besluit dat ik morgen naar de kapper moet. Mijn haar is veel te lang voor mijn leeftijd, ik ben een vader van een dochter die examen moet doen en dan moet je een zijscheiding hebben. Minimaal.

Ik ben mijn rijtje nog steeds kwijt, als ik bedenk wat mijn meisje allemaal moet weten. Talen, wiskunde, het is nogal wat en ik weet nog steeds die laatste naam niet van mijn rijtje. Ik ben verward, geloof ik, en de weg kwijt. "God ja, Naomi!" Ik roep het op een beetje een foute manier, want een ietwat dikkige man kijkt me meewarig aan en vraagt of ik er soms over wil praten. Zijn toontje bevalt me niet, evenals het woord smeerlap dat hij er aan toevoegt en hij lijkt op Peter Brusse. Peter Brusse had hetzelfde vakkenpakket als ik en zat bij elk examen voor me. Ook hij was dik en zijn oksels waren altijd versierd met zweetplekken. Hij had een stuk wild vlees in zijn nek waar je niet naar wilde kijken, maar waar je ogen toch steeds op vielen en bovendien bedoel ik het niet smerig, mijn uitroep. Wel vervult die me met schaamte en radeloosheid, want Naomi is nota bene mijn echtgenote. Ik kreeg verkering met haar, kort na de examens en we bleven aan elkaar hangen. We hebben zelfs een dochter en die moet examen doen, geloof ik.

In het besef dat ik nu ˇf echt oud word ˇf gewoon de weg een beetje kwijt ben door de omstandigheden, zie ik iets bekends. Twee meisjes lezen berichtjes in hun mobiele telefoon en gaan hoe dan ook zakken, want die SMS-generatie spelt niet fatsoenlijk meer. Ik wil niets zeggen, maar ik zeg toch iets. "Wisten jullie dat op mijn examenfeest Xander de BuisonjÚ opgetreden heeft?" Ik heb direct al spijt, want dat kan niet, dat is niet zo en dat moet ik niet zeggen, maar ik ben verward. Ik moet nu echt snel thuis komen, want de tijd dringt. Zou ik voor morgen nog minstens zes Franse schrijvers kunnen doornemen met mijn dochter?

Als ik de deur uiteindelijk open doe en ik totaal van de kaart de kamer binnenstap, hoor ik een heldere meisjesstem. "Papa, ik bouw een dierentuin. Doe je mee?" Onmiddellijk stort ik op de grond neer, ram er minstens tien rijtjes uit ver vervlogen tijden doorheen en zie mijn vrouw met gefronste wenkbrauwen kijken. Het geeft niet, zij was nooit goed in de sonnetten van Shakespeare en ze kon niet uit haar hoofd verdubbelen tot ver in de tienduizend. Ze is wel lief, dat weer wel. Zuchtend zet ik een beest in de zelf gebouwde dierentuin van mijn dochter en dank God dat ze pas vijf is. Boos zegt mijn dochter dat de krokodil daar nooit kan staan. "De krokodil moet in het water papa!" Ze komt er wel, bedenk ik en ik geloof ineens dat ik minder oud ben dan ik dacht.

"Schat," zeg ik tegen mijn vrouw, "weet je wat ik nooit gesnapt heb? Al die examenkandidaten en hun ouders die zich bij voorbaat al druk maken."