Game over

Het is november 2008 en ik zit met de handen in het haar. Niet om de naderende kerststress, maar omdat de verjaardag van mijn man zich spoedig aandient. Mijn zelf opgelegde missie is dezelfde als voorgaande jaren: het vinden van het perfecte cadeau voor mijn teerbeminde. De moeilijkheid is: hij heeft geen wensen en ik geen flauw idee, maar ik weiger me over te leveren aan het nieuwe-sokken-en-deodorant-cadeausetjes-spook. Twee dagen voor dť datum zit ik met de moed in de schoenen te mokken op de bank. Ik zoek wat afleiding in de reclamefolder die ik zojuist van de mat geraapt heb. Het is de dubbeldikke superbewaarcatalogus van die speelgoedgigant die zo graag zijn zooi opruimt en wel de laatste plaats waar ik inspiratie op zal doen, denk ik nog voordat mijn oog op de voorlaatste pagina stil houdt. Daar staat’ie dan, omringd door de bijbehorende accessoires: hťt cadeau. Bedankt, Bart.

Twee dagen later kom ik triomfantelijk binnen stappen met een grote doos onder mijn arm. “Schat, als jij raadt wat hier in zit, mag je het hebben.”, zeg ik nog, maar het einde van mijn zin wordt onverstaanbaar door zijn vreugdekreet. “Een Playstation!”

Een Playstation, ja. Goed geraden. En ik goed gedaan, want hij is zichtbaar blij. Binnen tien seconden ligt de doos ergens op de huiskamervloer en is hij op zoek naar het perfecte plekje voor zijn nieuwe juweeltje. Een minuut later is het ding speelklaar en wordt er voetbal gespeeld. En dan gaat de deurbel. Visite. Ik hoor hem zachtjes foeteren voordat hij de controller weglegt en de felicitaties in ontvangst neemt. Na de koffie met gebak houdt hij het niet meer uit. “Zal ik eens laten zien wat ik voor mijn verjaardag gekregen heb?” probeert hij. Even later zijn alle gasten ingedeeld in de voetbalcompetitie en gaan de controllers enthousiast van hand tot hand. Het wordt nachtwerk.

De Playstation wordt al snel het nieuwe middelpunt in ons huis. De spelarena beslaat het hele stuk huiskamer waarbinnen zich bank, salontafel en tv bevinden. Een no-go area voor klungels zoals ik. Wie zich er toch waagt, hoort meteen het alarm afgaan: “Ga weg, je staat ervoor!” En zo ontstaat er een tweespalt: een deel van de huisgenoten en aanhang is in de ban van het fenomeen Playstation, het andere deel staat letterlijk en figuurlijk buitenspel.

Mijn euforie slaat langzamerhand om in irritatie. De hypnotiserende werking van de spelcomputer blijkt groter te zijn dan ik voorzien had, en dat bevalt me maar matig. Vooral het feit dat gezinsactiviteiten moeten wijken voor weer een marathon van een of ander waanzinnig spel, vind ik op z’n zachtst gezegd jammer.† In een poging mij te laten delen in de vreugde, brengt de Kerstman 'Guitar Hero the World Tour’. Het ondenkbare gebeurt: mams is om. “You rock”, gilt een virtuele menigte mij toe, na een geslaagde ‘gig’. De huid van een rockstar zit mij als gegoten, vind ik zelf. Ik kan er geen genoeg van krijgen. Maar de grote, wijde wereld achter mijn ramen roept nog steeds. Ik weet de uitknop wťl te vinden.

Discussies breken los. Wanneer is genoeg genoeg? Hoe erg zijn die vierkante ogen eigenlijk? De virtuele wereld is toch ook een wereld? Maar tot een compromis komt het niet. En dan doet ‘Medal of Honor’ zijn intrede. De missie: kruip in de huid van een zwaarbewapende soldaat en ga op zoek naar kanonnenvlees. Lekker knallen, veilig vanaf je eigen bank. Dood en verderf zaaien en zoveel mogelijk Duitsers omleggen. Met kwalitatief hoogwaardige graphics natuurlijk. Net echt. Gťk word ik ervan. Het geknal roffelt op mijn trommelvlies en de snelle beelden van bloed, incomplete mensen en brandende rekwisieten maken mij misselijk en draaierig. Dat het allemaal toch niet echt is, vind ik nauwelijks geruststellend.

Een nieuwe discussie laait op. Oorlogje spelen, doe je dat voor je plezier? Wennen wij zo niet teveel aan moord en doodslag? Moeten wij 65 jaar na dato nog Duitsers neerknallen? Argumenten zijn er zat, maar overtuigen kunnen we elkaar niet. En dan komt de jongste van het stel met een uitspraak die inslaat als een bom. “Weet je wat zo leuk is aan de Tweede Wereldoorlog? Dat we er zulke leuke spellen aan overgehouden hebben.”

“Zalig zijn de onwetenden” verexcuseer ik het kind in gedachten. Spontaan valt er een minuut stilte. Mijn man en ik kijken elkaar veelbetekenend aan. Zo ‘leuk’ is het ineens allemaal niet meer. Terwijl op het scherm ‘onze’ soldaat stuurloos ronddoolt en weer een leven verliest, spreken wij de flapuit vermanend toe. Hij heeft onmiddellijk spijt van zijn uitroep en stotterend probeert hij zijn woorden te nuanceren. Hij weet zelf ook wel dat oorlog niet leuk is. Maar de lol is er even af. Uit met dat ding.

Hij staat er nog steeds hoor, die Playstation. Het is nog steeds leuk. Het oorlogsspel is een beetje uit de gratie geraakt, gelukkig. Tegenwoordig wordt er vooral geracet en gevoetbald. En als mam thuis is, gitaar gespeeld en gezongen. Iedereen weet tegenwoordig waar de uitknop zit. ‘Geniet, maar speel met mate’ is het nieuwe devies. Genoeg is genoeg, daar zijn we het nu wel over eens. Met dank aan een 12-jarige, die met ťťn zin bereikte wat ons met urenlange discussies niet lukte.