'Topjesverbod' op basisschool

Van een 'topjesverbod' wil hij niet spreken. Hooguit van het dringende advies aan de leerlingen om niet op school te verschijnen met strakke truitjes die de navel onbedekt laten. 'Zodra de kou uit de lucht is, komen zij hier in een soort bikini', zegt A. Meeuwissen, directeur van de openbare basisschool De Klimroos in Roosendaal.

'Dat is in deze klimaatzone niet alleen slecht voor de gezondheid, het geeft ook aanstoot bij docenten, medeleerlingen en ouders.' Vandaar dat de medezeggenschapsraad deze week unaniem akkoord ging met het ontmoedigingsbeleid jegens het 'topje' - ook wel naveltrui genoemd.
'Daarmee hebben wij ons beslist niet als een preutse school willen manifesteren', zegt Meeuwissen. 'We hebben onze verantwoordelijkheid willen nemen. Zoals we ook het gebruik van mobiele telefoons aan banden hebben gelegd, en oosterse vechtsporten hebben uitgebannen. De aandacht moet niet te veel worden afgeleid van onderwijs, onze kernactiviteit.'

Bij leerlingen en ouders heeft Meeuwissen overwegend begrip ontmoet met zijn kleding advies. Hem is althans niets in het tegendeel gebleken. Het is echter niet uitgesloten dat zij zich gaan roeren als ze van de verbazing zijn bekomen. De ervaring leert dat op de regulering van de vrije kledingkeuze geen zegen rust.

Vier jaar geleden werden op het Norbertuscollege, eveneens in Roosendaal, het topje en de baseballpet in de ban gedaan. Het intitiatief werd aangeprezen als een beschavingsoffensief. Als een oorlogsverklaring aan het 'campinggevoel dat je elke kleding bij elke gelegenheid zou kunnen dragen'. Het mocht niet baten. De kledingvoorschriften werden massaal gesaboteerd, en niemand weet of ze nog van kracht zijn. Zo verging het ook het topjesverbod dat in 1996 werd uitgevaardigd op het Roermondse Broekhin college. En de inwoners van het Tsjechische Zlin lopen momenteel massaal te hoop tegen de verordening van de burgemeester dat de minirok niet hoger dan tien centimeter boven de knie mag eindigen.

Dan gaat het nog slechts om kledingstukken die niet gedragen mogen worden. Wanneer gezagdragers willen voorschrijven wat de mensen wťl moeten aantrekken, breekt de beer pas echt los. Dat ondervond in 1996 de voorzitter van de JOVD-afdeling 't Gooi en Omstreken. In een poging tot decorum-herstel verlangde hij van de mannelijke leden dat ze bij 'officiŽle gelegenheden' verschenen 'in diepdonkerblauw colbert mŤt JOVD-embleem, lederen, gepoetste schoenen met bijpassende veters, de vriendschapsdas van het Oud Strijders Legioen in dubbele Windsor'.

De dames werden geacht hun onthaarde benen in 'strakke panty's' te steken. Allen moesten op de toogdagen van de liberale jongerenclub 'schoon ondergoed' dragen. 'Een grapje', voerde de voorzitter te zijner verdediging aan. Dat kon hem niet meer voor een royement behoeden. Sterker nog: zijn hele afdeling - de oudste van het land - werd opgeheven. Had hij zich maar aan het Britse kleermakersgezegde gehouden: 'Never let your clothes speak louder than you do.'