Gekke Bertus

Vroeger, in mijn jeugd, voetbalden we hele dagen op straat. Weer of geen weer, hoewel regen wel vervelend was. Desondanks stonden we er. We beeldden ons in dat we profvoetballers waren en speelden hele wereldkampioenschappen na met de buurt. Vrijwel iedereen kon meedoen, meisjes uitgezonderd. Die konden immers niet voetballen en liepen maar in de weg. Buiten die meisjes was er ťťn jongen waar we een probleem mee hadden. Dit was Bertus. Gekke Bertus, zoals wij hem noemden, kon op school niet zo goed meekomen en zat dus op een speciale school. Elke dag werd hij gehaald met het busje. Nu beseft iedereen dat Bertus gewoon langzaam leerde, wat hinder had met lezen en niet gek was, maar toen waren we kinderen en dus keihard. Iedereen noemde hem dan ook Gekke Bertus.

Zoals gezegd hadden we problemen met hem. Wij speelden bloedserieus. Hoekschoppen, wissels, inwerpen, buitenspel, strafschoppen, directe en indirecte vrije trappen, alles zat er in. Bertus snapte dat niet. Dat wil zeggen, hij snapte vooral buitenspel niet. Bertus was net als elk ander jongetje en wilde dolgraag spits zijn. Lekker doelpunten proberen te maken, schieten uit alle standen, beetje dribbelen. Hard schieten kon hij wel, want het leek alsof de natuur hem als compensatie voor zijn leerproblemen wat extra spieren had meegegeven. Probleem was echter dat Bertus altijd buitenspel liep en we meer dan de helft van zijn goals moesten afkeuren. Dit was gevaarlijk, want dan werd Bertus boos en Bertus was dus sterk. We moesten dus iets verzinnen.

Slim als we meenden te zijn, maakten we Bertus wijs dat de toekomst achterin lag. We vergeleken hem met Ronald Koeman, die toen ook als laatste man speelde bij Barcelona. Bertus mocht de vrije trappen en strafschoppen nemen, net als Koeman. Dit leverde echter een nieuw probleem op. Bertus nam het verdedigen erg serieus en deelde de nodige beuken uit. Niet zelden kwam ťťn van ons met bebloede benen en een gescheurde broek thuis, nadat we onzacht met Bertus in aanraking waren gekomen. Opnieuw stonden we voor de taak iets te verzinnen, voor onze veiligheid. Bertus niet mee laten doen was geen optie, dat mocht ook niet van onze ouders, want Bertus hoorde er net zo goed bij en je kent dat soort pedagogische verhalen wel. Bertus kon echter niet keepen, want hij durfde niet te duiken. Er was iets dat hem blokkeerde om naar de grond te duiken en bovendien had Bertus ook altijd van ons geleerd dat je geen ballen in je handen mocht pakken.

Na lang nadenken besloten we om Bertus scheidsrechter te maken. We gaven hem een fluit en knipten gele en rode kaarten voor hem uit. Het had succes. Bertus genoot van zijn rol, zo leek het. Hij floot veel en hard, deelde met plezier kaarten uit en niemand zag de trieste blik in zijn ogen als wij een rode kaart van hem terugdraaide. Bijkomend probleem was dat Bertus nog steeds niets van buitenspel snapte en dat is lastig voor een scheidsrechter. Hij leerde in die tijd echter snel, al bleef hij de buitenspelregel consequent fout hanteren.

Toen er in de zomer een toernooi werd georganiseerd voor straatvoetbalteams, had Bertus het via de organisator, wiens zoon ook met het busje naar school gebracht werd, tot scheidsrechter geschopt. Op het andere veld zagen wij hem in de weer met zijn fluit en kaarten, dit keer gehuld in officieel tenue. Wij voetbalden ondertussen onbezorgd door het toernooi heen en reikten tot de finale. Een finale die Bertus zou fluiten.

De finale was bloedstollend spannend. Kort voor het einde stond het nog altijd nul tegen nul, tot ons team een goal maakte. Het was zeker een meter buitenspel, maar wij vierden al. Gekke Bertus floot immers, die wist niets van buitenspel. Groot was onze verbazing toen een snerpend fluitje klonk en Bertus de goal wegens buitenspel afkeurde. Uit eigen beweging nog wel, geen tegenstander of toeschouwer had geprotesteerd. Grijnzend gaf Bertus de tegenpartij een vrije trap. Totaal beduusd lieten wij ons verrassen en verloren de finale.

Van Bertus vernamen we niet veel meer. Telkens liep hij in een andere buurt, waar de andere kinderen hem wel in de spits lieten spelen en niet wegmoffelden in een bijrol. Af en toe kom ik Bertus nog wel eens tegen en dan kijkt hij me, inmiddels ook halverwege de twintig en uitgegroeid tot een kolos, triomfantelijk aan. We hoeven niets te zeggen en denken dan hetzelfde. Excuses hoeven ook niet. Kinderen zijn nu ťťnmaal keihard, het ging gewoon zo.

Ik denk de laatste jaren echter vaak aan Bertus, als ik op televisie arbiters of grensrechters opzichtig zie falen bij de buitenspelregel. Ik zie Bertus in hen terug, een jongen die nooit mee mocht voetballen omdat hij of niet goed genoeg was of gewoon te dom werd bevonden. Ik weet bijna zeker dat daar de kiem voor een loopbaan in de arbitrage gelegd wordt en dat al die mannen ooit hun moment van wraak vinden en zo alsnog in de schijnwerpers komen te staan. Om na afloop, net als Bertus, als dank voor hun leiding ook een eremedaille in ontvangst te nemen. Zijn ze uiteindelijk toch winnaars...