De Korenharp van Bordewijk - proza in poŽzie

Hoewel Ferdinand Bordewijk een behoorlijke naam heeft in de Nederlandse literatuur, is zijn bundel De Korenharp hoegenaamd onbekend. Dat is meervoudig jammer. Daarom, in de Week van het Nederlands, eerst over naar het Frans.

De toutes les formes de la littérature, celle du poème en prose était la forme préférée de des Esseintes” (uit: À rebours, J.-K. Huysmans).

Alles aan deze zin is hier onbelangrijk, behalve twee dingen: ten eerste de term ‘poème en prose’ (letterlijk: poëzie in proza), en ten tweede dat Bordewijk De Korenharp met deze zin als aanhef begint. De Korenharp is namelijk een verzameling van prozagedichten die, zowel vanwege hun vorm als hun inhoud, uitermate lezenswaardig zijn. Met die teksten zit het dus, zoals we later zien, wel goed. Het is echter waardevol om eerst stil te staan bij het prozagedicht als literaire vorm. Zodoende beginnen we daarmee.

Proza en poëzie

Hoewel een stuk literatuur vaak grofweg wordt beschouwd als proza dan wel poëzie, is dat onderscheid vooral een vrucht van gemakzucht en daarom laakbaar. Een weerlegging van zulk onderscheid mag beginnen met erop te wijzen dat zowel proza als poëzie literaire groepen zijn die zichzelf onderverdelen in soorten. Dit doen ze aan de hand van onder andere de vorm, de lengte, het ritme en het doel van een tekst. De wellicht meest geliefde vorm van proza; de roman, is in de regel langer dan een novelle, meer op esthetiek gestoeld dan een wetenschappelijk verslag, en verhalender dan een beschouwend essay. Evenzo verschilt een leerdicht nogal van een haiku en worden veel gedichten tegenwoordig, in tegenstelling tot vroeger, niet meer op rijm geschreven.

Daarnaast is het wellicht behulpzaam om beide literaire groepen als de twee helften van een cirkel te zien, waarbij ‘pure’ proza bijvoorbeeld het meest linkse punt inneemt en ‘pure’ poëzie het meest rechtse. Echter, niet de meest zijwaarts gelegen ‘pure’ punten (mijns inziens bestaan die niet eens) zijn van belang, maar de gebieden rondom het hoogste en het laagste punt. Daar vindt namelijk een geleidelijke vermenging plaats van poëzie met proza, en omgekeerd. Zodoende kan het hoogste gebied worden aangemerkt als poëtische proza en het laagste gebied als prozaïsche poëzie. Wanneer een tekst dan ergens als punt op de lijn van de cirkel wordt geplaatst, kan er sprake zijn van een bepaald poëtisch of prozaïsch gehalte. Hoewel die bepaling alsnog niet eenvoudig is, stelt het tenminste in staat om een tekst met meer nuance te plaatsen in het gehele veld van literatuur.

Het prozagedicht

Poëzie en proza vermengen zich; een gedicht kan verhalen of beargumenteren, en de regels van een prozaïsche tekst kunnen een prachtig ritme bevatten. Wanneer er wordt gewezen op een dergelijke vermenging, betreft het echter veel vaker (wellicht zelfs bijna altijd) het poëtische gehalte van een prozaïsche tekst dan andersom. Als in een roman een uitzicht, een gevoel, of een indruk met diepte wordt beschreven, heet dat snel ‘dichterlijk’. Een gedicht met een verhaallijn of zonder bekende vorm wordt echter niet snel ‘schrijverlijk’ genoemd; het blijft een gedicht. Ten eerste is dat zonde, want het doet als omschrijving gemakkelijk tekort aan de inhoud. Ten tweede is dat begrijpelijk, want het de definitie van het prozagedicht (ofwel de hoop op een poëzie in de vorm van proza) is niet scherp omlijnd en daarom niet eenvoudig te gebruiken.

Kort gezegd heeft het prozagedicht geen versvorm; het kan uit tien losse regels bestaan, maar het kan evengoed een korte tekst zijn. Het poëtische van een prozagedicht is wellicht vooral te vinden in het soort onderwerp, de vaak afwezige ontwikkeling van een gehele verhaallijn, en de eis van de tekst om zorgvuldig te worden gelezen. Desalniettemin blijft het een tamelijk onduidelijk begrip wat misschien het best kan worden verhelderd aan de hand van enkele voorbeelden. Daarvoor keren we terug naar Bordewijk.

De Korenharp van Bordewijk

Alsof hij zelf ook wil beginnen met enkele voorbeelden, opent Bordewijk met vijftien vertalingen uit Gaspard de la Nuit van Aloysius Bertrand (1807-1841), door sommigen (al dan niet terecht) beschouwd als de eerste prozadichter. Bijzonder fraai is, bijvoorbeeld, De Galg:

Ach! hetgeen ik verneem, is dat het krijten van de nachtwind, of wel de gehangene die een zucht loost op de gaffel der wip?

Is het een zingende krekel, gehurkt in het most en het dorre veil waarmede uit deernis het woud zich schoeit?

Is het een vlieg op speurtocht die de trompet steekt rondom deze oren, doof voor het geschal der jachtmuziek?

Is het een kever die in zijn ongelijke vlucht een bloedig haar leest van zijn kale kruin?

Of wel is het een spinnekop die een halve el neteldoek breit tot stropdas voor deze geworgde strot?

Het is de klok, kleppend op de muren ener stad, onder de kim, en het rif van een gehangene, overbloosd door de dalende zon.

Na de vijftien vertalingen gaat Bordewijk zelf aan de slag. Het mondt uit in een verzameling prozagedichten over stadsgezichten, personen, omstandigheden en indrukken. Daarnaast bevat de bundel een aantal als prozagedichten geschreven ‘bakersprookjes’ en twaalf ‘zangen van de zwerveling’. Als uittekening van de ruimte binnen het begrip ‘prozagedicht’ volgen hier fragmenten uit drie verschillende prozagedichten.

De Haven

Wat wij zagen:

de vlakke meetkunde der kraanfiguren met zwart pijpkrijt getrokken op het kardoespapier van de januarihemel -

de kuipen vol drijvend kleursel van schepen en hoger het zwevend gesnipper van doek -

de stijf gesteven manchetten der bootschoorstenen, soms met een schuchter handje erbuiten, soms met een zwaargebald dreigende vuist -

(...)

De stad Schiedam

(...)

Aldus ging de poort open toen de stad Schiedam gestorven was. Men vroeg haar wat ze het liefst deed. Maar een stad kan niet kuieren, dat weet u ook, zelfs niet op poten, lange of korte; ze ligt, of liever nog ze staat.

De stad Schiedam antwoordde:

- Branden.

Ze kreeg een standplaats op de velden waar nectar wordt gewonnen. De branderspatroons en de brandersknechts, reeds eeuwen dood en zalig, maar het vak niet verleerd, stroomden aan.

Noord en Zuid

(...)

Twee werelden, van rust en opstand, daartussen tikt de klokkeslinger van mijn zwervershart. Wie zal mijn uitverkiezing gelden, is ‘t Karin, is het Marianne? Ik weet het niet, slechts dit: met Karin wil ik minnekozen in ‘t priëel, maar naast, neen als een schild vóór Marianne, zo wil ik sterven op de barricaden.

Een feest van Nederlands

De Korenharp bevat, in de eerste plaats vooral vanwege de teksten, een zeer waardevolle literaire inhoud. Daarnaast is het een prachtige uiting van een vermenging van proza en poëzie en de vele mogelijkheden die een dergelijke vermenging schept. Er is echter een derde element dat niet onbenoemd mag blijven, en dat is de rijkdom van Bordewijk’s taal.

Het komt waarschijnlijk niet vaak voor dat iemand bij het lezen van een tekst in de eigen taal een woordenboek nodig heeft, maar bij het lezen van De Korenharp is dat geen schande. Nu zal de reden daarvan deels te vinden zijn in de veroudering van de gebruikte taal (de bundel zelf is uitgegeven in 1951). Bordewijk beschikt echter ook over een enorm palet aan woorden en uitdrukkingen (wat dacht u van “het zeebrak in zwalpen aanglijdend op hele tribunen van water”) wat sommige teksten van een woekerende weelde aan woorden voorziet. Zodoende doet De Korenharp, naast al het andere, misschien wel het mooiste dat een tekst kan doen: het geeft de lezer de eigen taal terug, nog dieper en schoner dan die zich had voorgesteld.

Dit item is geschreven door Michiel van schrijverscollectief Kaf.