Eeuwige liefde

Hij leek op mij. Echt precies. Geen twijfel mogelijk. Nog geen half jaar geleden was hij niets. Nu keek hij mij aan, met dezelfde ogen, dezelfde mond, hetzelfde haar. Ik kneep even in zijn wangen. Hij was echt. Zo echt als ik, maar zonder verleden. Maar ook dat zou niet lang duren. Wilde ik dit wel? Wilde ik dit echt? Zou hij echt mij zijn, tot op de detail? Wilde ik werkelijk dat deze man straks zijn lippen liefkozend om de tepels van mijn vrouw krulde?

Een kap schoof over mijn hoofd. Elektroden plakten pijnlijk tegen de huid. Hij liet het zonder tegenstribbelen gebeuren, liet de draden gewillig uit alle kanten van zijn lichaam naar boven hangen. Als een gigantisch octopus die zijn tentakels verankerd had in de baarmoeder van het laboratorium, parasiterend tot het moment dat alles om hem heen een omhulsel was. Nu was hij nog een pop, gewilloos aan touwtjes. Straks waren de rollen omgekeerd. Ik keek hoe draden in het plafond verdwenen en boven mijn hoofd weer naar beneden kwamen. De laatste werd op de rug van mijn arm geplakt. Geen weg terug. Ik wilde het ook niet. Ik kon haar niet alleen laten.

Het licht werd witter, vager, kleine witte stipjes dansten voor mijn ogen. Beelden schoten door mijn hoofd, vergeten herinneringen, weggestopte desillusies. Zo voelde dat dus, wanneer je leven zich aan je voorbij schoot. Misschien kwam Jezus straks nog langs, voor een tussenopname van mijn goede daden. Een glimlach krulde moeizaam om mijn mond. Jezus zou niet meer komen, hoe kon hij ook, ik had hem buiten spel gezet.

Hij stond aan mijn bed. Vitaal. Zijn ogen spraken. Gek, ik zou moeten weten wat hij dacht, maar ik twijfelde, ik wist hoe snel ik kon omslaan in een oordeel. Hij had al mijn kennis tot en met het moment dat de laatste elektrode ons voorgoed had gescheiden. Nu was hij ik, plus drie dagen. Hij wist dat hij ik was, maar hoe zou hij het opnemen dat zijn lichaam niet ik was. Zijn lichaam paste niet bij zijn herinneringen. Hij wist hoe ik mijn hand over haar lichaam liet strelen, wist hoe het voelde, maar had het zelf nooit gevoeld. Voor hem was alles een eerste keer, maar dan met de ultieme voorkennis.

Zijn vingers dwaalden door mijn haren. Hij had het er moeilijk mee. Woorden kwamen ons niet makkelijk als de emotie hoog opliep. Ik wist hoe koppig ik was. Ik had problemen met open deuren intrappen, doen wat in de lijn der verwachting lag. Maar tegenoverelkaar lag alles in de lijn der verwachting. Dus het was stil. Wat moest ik zeggen? Wees voorzichtig met haar? Behandel haar netjes? Hij hield net zoveel van haar als ik, wilde haar net zo min pijn doen als ik. Hij zou alles voor haar over hebben, net als ik. Hij zou voor haar door het vuur gegaan, alles in het werk stellen om haar te behagen. Zijn liefde was net zo ziekelijk verterend als de mijne.

Over een uurtje zou hij door die deur gaan, richting mijn huis, ons huis. Voor de deur zou hij nog ťťn keer een diepe zucht slaan, wijfelend de sleutel zoeken, wachtend op de confrontatie. Hij was mij, plus de wetenschap dat hij mij niet was. Ik weet dat hij haar in zijn armen zou nemen omdat ik dat nu eenmaal deed wanneer ik me overweldigd voelde door het leven. Hij zou haar onverwachts fijnknijpen, terwijl ze hem bevreemd zou aankijken. Wat is er met jou zou ze zeggen en hij zou zwijgen, haar nog eens tegen de borst drukken. Niets zou hij zeggen en zijn borstkas zou ontploffen van de pijn. Hij kon niet liegen en zou moeten leven met de grootste leugen die hij haar nooit zou kunnen vertellen. Hoe vertel je iemand dat het de eerste keer is dat je lippen de hare beroeren, terwijl je samen de herinneringen van 14 jaar intense liefde deelt?

Ik strek mijn hand uit, leg hem in de zijne. Ik weet nog steeds niet wat te zeggen. Ik wil niets zeggen. Het is al erg genoeg om mijn eigen gezicht te zien, mijn stem horen kraken onder de grootste emoties die een mens over zichzelf kan loslaten is iets wat ik niet zou aankunnen. Hij staat op, zoals ik zou opstaan als ik niet op sterven zou liggen. Bij de deur draait hij zich nog eenmaal om. Een grijns legt zijn tanden bloot. Ik kan niet anders dan meelachen. Dat doen wij altijd als woorden teveel worden, maar de fantasie geschiedenis schrijft.

'Doe een goed woordje voor me daarboven, en laat me weten wat ik nog recht moet zetten.'
'Geen zorgen, ik houd een plekje voor je vrij.'