Mensen met honden - Egbert de Ruijter 3


'Nou, mijn naam is dus Egbert de Ruijter, bevobbelt. Dat geeft toch niet? Toch wel, want ik kan er niets aan doen dat ik die naam heb gekregen. Maar daar wilde ik het niet over hebben. Waarover dan wel? Welk interessant maatschappelijk probleem zal ik deze keer eens ter sprake brengen? Mensen met honden, bevobbelt!

Van alle schepsels op aarde is de hond wel de stomste. Die heeft zich mooi aan banden laten leggen, zeg. Katten zijn ook gedomesticeerd, en varkens en koeien en paarden, en die moeten zich ook het nodige laten welgevallen, maar geen enkel beest heeft zich zů door de mens laten inpakken als de hond. Katten gaan de hele dag hun eigen gang, varkens liggen lekker in de modder, koeien kauwen en herkauwen maar raak, en paarden laten zich van tijd tot tijd geil berijden. En de hond? De hťle dag moet hij luisteren naar wat de baas hem zegt te doen. Het stomme is: hij doet het nog ook! Wat een lapzwans, zeg. Hersenen zijn er categorisch uitgefokt.

Maar de hersencapaciteit van de hond is nog fenomenaal in vergelijking met die van de hondenbezitter. Wat een sneue figuren zijn dat! Ik zie ze wel eens lopen, hoor. 's Morgens in alle vroegte, als ieder weldenkend mens nog gewoon in zijn bedje ligt. Als je een kind hebt, hoef je alleen maar de beginjaren van zijn leven voor het mormel te zorgen; daarna is hij zelfstandig. Maar een hond? Die moet je zijn hele godverdomde leven verzorgen en uitlaten! En tafelmanieren leert hij ook niet.
Het allerergste van het hebben van een hond lijkt mij dat je op straat moet praten met andere hondenbezitters. Kijk, dat je zelf niet al te snugger bent, dat is okť, daar kun je ook niet zoveel aan doen. Maar dat je vier of vijf keer per dag met andere geestelijk minder bedeelden een conversatie moet hebben, lijkt me een ware marteling. Waar moeten die gesprekken over gaan? Over het weer, over dat Rakker onlangs getrimd is of over dat het eigenlijk niet jouw hond is, maar dat je dit doet voor je zieke buurvrouw. "Ja. Kanker. Erg, hŤ? En wat doe je eraan? Je staat zo machteloos. Het leven is geven en nemen. Zo is er altijd wat. Je hebt het niet altijd voor het zeggen." Zelfs middenstanders voeren een intelligenter gesprek.

Hondenbezitters zien er allerdebielst uit op straat. Met dat schepje en zakje in de hand. Ondanks dat het verplicht is om het hondenafval op te ruimen, liggen de wegen, goten en stoepen toch vol met uitwerpselen van huisdieren. Gadverdamme. De berg kak op straat is nauwelijks te overzien.
Dagelijks glibber ik te voet van mijn huis naar de supermarkt en vice versa. Met mooi weer heb ik sandalen aan zonder sokken. Thuis kan ik dan de stront tussen mijn tenen vandaan flossen.

Onlangs gleed ik weer eens de route van het winkelcentrum naar huis. Het was koud buiten. Ondertussen was het al half oktober, en ik had mijn sandalen nog aan. Zonder sokken. Ik had koude tenen. Flink doorstappen, dan merkte ik het niet. In iedere hand hield ik een zware tas vol met boodschappen. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt.
Ik passeerde een tweetal mensen. Een meisje van een jaar of dertien met een knalgele fleece trui† en lang blond haar liep een beetje bangig naast een oudere vrouw. Zou dat haar moeder zijn? Die droeg een strakke spijkerbroek en een veel te kort truitje waar haar blubberbuikje onder vandaan kwam. Ze had twee honden aan de lijn van een onbekend type, merk of soort. Kortharig, vals kijkende ogen en kwijlende bek. De vrouw stond gebogen over de hond en schreeuwde: "Niet dŠŠr lopen! Hier moet je lopen!" Driftig wees ze op het voetpad. De hond stond uitgebreid de goot schoon te likken.

Altijd lachen: mensen die denken dat honden begrijpen wat je zegt. Bevobbelt:
"Wel uitkijken, hoor, Astor!"
"Woef! Natuurlijk. Dat spreekt vanzelf. Maar fijn dat u mij even helpt herinneren."
"Fifi, niet bij die meneer de tenen likken, hoor!"
"Wraf! Flikker op. Ik sta hier te genieten. Mjam, die meneer heeft ťcht smakelijke tenen."
"Foei, Tarzan! Hou op met tegen die dame op te rijen."
"Zit er niet doorheen, mens. Ik kom bijna!"

"Mevrouw," wilde ik een gesprekje beginnen, "denkt u nou wťrkelijk dat die hond u begrijpt?"
"Waar bemoei jij je mee met je grote bek?" antwoordde ze.
"Heeft u een cursus gedaan met hem?"
"Weet je wat dat kost?"
"Goed zo, mevrouw. Het heeft ook geen enkele zin, zo'n cursus. Ze zijn te stom om te leren."
"O? Sta jij hier een beetje mijn hond te beledigen?" Ze stond parmantig met haar handen in haar zij. "Wat denk jij wel niet?"
"Ik denk een heleboel," zei ik. "Dat kunnen we van honden en hun baasjes niet zeggen."
Flats! De vrouw sloeg. "Pak ze, Rupert!" riep ze.
Ik had me vergist. Deze hond begreep wel degelijk wat de vrouw bedoelde.

"Hou dat kreng bij je!" brulde ik, terwijl ik rondjes over straat rende met de kaken van het beest in mijn billen. De twee tassen met boodschappen had ik al rennende los moeten laten. Mijn aankopen lagen verspreid over het voetpad. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt. Het wijf stond er maar een beetje bij te lachen.
"Rupert, af!" riep het meisje. De hond beet nog eens stevig door. "Rupert!" riep het meisje nog eens. Rupert gromde, maar liet niet los.
Toch wist ik het beest van me af te trappen. Met een zere muil droop de keffer af naar zijn baasje.
"Ik weet wat hem scheelt," hijgde ik naar de vrouw.
"Heb je nog niet genoeg gehad?" schetterde ze. "Zal ik hem nog eens op je afsturen?"
"Wat dan?" vroeg het meisje zachtjes aan mij.
"Hij is doof."

Thuis probeerde ik zo goed en zo kwaad als dat ging mijn reet te verbinden. Toen sleepte ik mijzelf terug naar de plek des onheils. Mijn boodschappen lagen nog her en der in het rond op het voetpad en ernaast. Een brood, melk, kaas en leverworst, bevobbelt. Het meeste was besmeurd met hondendrek. Moedeloos slofte ik terug naar mijn woning. Daar bakte ik een diepvriespizza in de oven. Dat ik daarbij mijn jatten verschrikkelijk verbrandde, kon er ook nog wel bij.

Dit was het dan weer. Dank voor de aandacht. Volgende keer beantwoord ik een nieuwe levensvraag. Ik heet Egbert de Ruijter. Onthouden die naam!
Bevobbelt!'


Apeldoorn, november 2008