Zondagmorgenmail

'When love walks in'
– David Sylvian

Het is zondagmorgen. Ik sta als eerste op en laat de rest van Het Gezin nog even slapen. In de keuken maak ik koffie en met een dampende mok kruip ik achter het toetsenbord.
"Vooruit," denk ik. "Laat ik voor het eerst sinds zes weken weer eens kijken naar mijn Hotmail." Die account gebruik ik voor mijn webstekje en daarop komen de reacties en spam binnen. Reacties niet zo veel; spam met wagonladingen tegelijk. Eigenlijk moet ik het veel vaker controleren, neem ik me steeds voor. Ik typ mijn adres en wachtwoord in. De spam valt mee. Ik klik het weg. Er blijven twee mailtjes over. De eerste mail is van Eric Svalgard, een Amerikaanse muzikant; hij wil iets weten over het festival in Noordoost Duitsland van deze nazomer. Ik grinnik. Straks zal ik hem een antwoord sturen. Dan open ik het andere mailtje. De afzender is iemand met twee voorletters en een achternaam. Ik herken die achternaam ergens van, maar wie is het? Ik lees de mail. Ik lees hem nog een keer en nóg een keer. De glimlach op mijn gezicht wordt groter en groter. Dan loopt mijn hoofd vol. Met goede herinneringen.

De afzender is iemand die schrijft dat ze op zoek was naar het verleden en ging googlen. Uiteindelijk is ze terechtgekomen bij één van mijn stukjes voor FOK!, waarin ik vertel over vroeger en over een 'pubermeisje dat veel om mij heen hing'.

Niet verder vertellen: ik was ooit bij scouting. Daar leerde ik van alles, maar geen knopen leggen, palen sjorren of vuurtjes stoken. Toen ik wat ouder werd, ging ik bij de leiding en als knul van rond de twintig begeleidde ik de meiden van zeven tot twaalf jaar. Iedere zaterdagmorgen deden we activiteiten in de bossen rond Apeldoorn. Mooie tijd.
Na afloop van zo'n ochtend bleef ik altijd even hangen. Er moest opgeruimd en dan dronken we nog wat. Om twee uur begon het programma voor de oudere meiden van dertien tot zeventien jaar. Al een uur daarvóór kwamen er een paar enthousiast binnen. Zoals Anna. Zij was het pubermeisje dat veel om mij heen hing.
Ik zat vaak op een stoel buiten en zag haar aan komen fietsen.
"Ha Bas!" riep ze van een afstand. Ze gooide haar fiets van zich af de bosjes in en kwam op de stoel naast me zitten.
Het was leuk kletsen met haar. Ze vroeg me de oren van mijn hoofd en ik vertelde mijn onzinverhalen. We lachten ons een kriek. Anna had een mooi lachje; ze kon je indringend aankijken. En die enorme bos donkerblonde stug krullende haren, daar was ik helemaal jaloers op.

Een enkele keer deden we een activiteit met de hele vereniging. Zoals die zaterdag dat we massaal naar een dierentuin gingen. Eigenlijk moest ik op de kleine meiden passen, maar in plaats daarvan hing er een groep pubermeisjes om mij heen. Anna nam het voortouw. Ze sloeg een arm om me heen en sleepte me langs de kooien. Dit moest ik zien en dat en op deze engerd leek ik wel heel veel. Ik vergeleek haar dan weer met een emoe of een helmcasuaris. Dat soort plagerijen heen en weer.

In de loze uurtjes vóór zo'n bijeenkomst op zaterdagmiddag was het niet alleen kletsen en ouwehoeren, maar vaak ook een potje volley- of voetballen.
Ze schopte de bal hard naar mij toe. Tsja, ze was een meisje, dus goed mikken kon ze niet. Au.
"Zo! Krijg jij die bal even tegen je stijve lul!"
"Die is nu niet stijf, hoor."
"Nee? Jongens hebben toch een stijve lul?"
"Lang niet altijd. Hij is juist meestal slap. Alleen als ik opgewonden ben en graag met een vrouw zou willen vrijen."
"En dat is nu niet?"
"Nee, joh. Dat is als ik heel erg verliefd ben en dicht bij haar wil zijn."
"O. Zit dat zo. Goed dat ik het effe weet. Krijg ik die bal nou nog?"

Ze had iets onbezorgds over zich. Ze hield van keten en gezelligheid en sleepte de andere meiden van de groep daarin mee. Tegelijkertijd was er ook iets in haar houding dat een serieuzere kant deed vermoeden. Als er iets gebeurde dat in haar ogen onrechtvaardig of oneerlijk was, dan was de onbezorgdheid voorbij. Ze stond vooraan om het op te nemen voor een ander.
In die jaren was ik een eenzaam, angstig en onzeker jochie, hevig zoekend naar wat aandacht en contact. Dat ik met Anna kon praten, plezier maken en vooral heel veel lachen, dat vond ik heerlijk. Meer verwachtte ik niet. Maatjes zijn, dat was voor mij meer dan genoeg. Soms was er wel eens het verlangen om haar in mijn armen te kunnen sluiten. Maar Anna leefde in een totaal andere wereld dan ik. Mijn wereld was er eentje van wanhoop, gekte, radeloosheid en redeloosheid, doodsangst en tegelijkertijd ook doodsverlangen, slapeloosheid en de hopeloze vlucht in muziek. Daar wilde ik niemand mee lastig vallen. Anna zéker niet.

In 1988 ging onze hele scoutinggroep gezamenlijk op zomerkamp. Ik bivakkeerde met de jonge kinderen in een blokhut; de ouderen kampeerden wat verderop. De sfeer binnen de leiding vond ik op dat moment niet al te denderend. In de verloren halve uurtjes zat ik vaak in mijn eentje te schrijven of ik slenterde naar het kampeerveldje van de oudere meiden. Anna vond me altijd snel; we kletsten wat en zij betrok mij bij de activiteiten. Moest ik wéér volleyballen.
Ook na het zomerkamp bleef ik de sfeer in de ploeg begeleiders niet zo goed vinden. Steeds meer draaide ik mijn programma op zaterdagmorgen af en dan ging ik snel naar huis. Jammer dat ik Anna niet zo veel meer zag, maar dat was dan maar zo. Bovendien had zij veel vrienden en vriendinnen om zich heen. 'Die heeft mij niet nodig,' dacht ik.
Toen kwam het moment dat ik mij realiseerde dat ik gewoon geen plezier meer had in het lid zijn van deze club. Ik hield het voor gezien. Daarnaast had ik Vrouwlief ontmoet en we gingen samenwonen. Op een zaterdagmorgen in april 1989, na afloop van de activiteiten met de meiden, deelde ik mee: "De lol is eraf. Volgende week ben ik voor het laatst." Ik ben er nooit meer teruggeweest, maar in de eerste jaren na mijn vertrek dwaalden mijn gedachten soms naar de leuke dingen en de mooie contacten. Dan kwam ook het beeld van Anna naar boven. Mijn leven ging verder en het beeld verdween verder en verder naar de achtergrond.

En dan nu. Ze heeft me gevonden!
Mijn ogen vliegen nogmaals over de regels van de mail. Ze zegt dat ze destijds op zoek was naar rust in de gekte van het leven. Die rust vond ze bij mij, ook al was ik de onrust zelve. Ze schrijft dat ze dierbare herinneringen aan mij heeft. Ze moest eens weten; ik ook aan haar.
Wat zij kan, kan ik ook. Ik ga op zoek naar haar. In de google-balk typ ik haar naam en druk dan op 'Enter'. Er ontvouwt zich een hele serie hits en ik klik op de bovenste. Gelijk kom ik op een pagina met foto's. Ik herken haar gezicht onmiddellijk. Daar is ze weer. Ik glimlach bij het zien van haar vertrouwde ogen, haar neusje, haar lachje. Allemensen, ze is een mooie vrouw geworden. Een mooi mens met een eigen leven, tweeëntwintig jaar verder. Plots bedenk ik dat ik geen onderdeel van dat leven ben. Wel heb ik vroeger een heel klein stukje ervan mogen meemaken. Er komen tranen in mijn ogen. Ik slik.
Het zijn bijzondere afbeeldingen, gemaakt tijdens een bijzondere gebeurtenis in haar leven. De vrouw op de foto wordt bevestigd als predikant. Het pubermeisje dat om mij heen hing, is nu een dominee. Even ben ik trots.

Ik lees de mail voor de zoveelste keer. De wens om haar weer eens te zien en te spreken komt sterk in mij naar boven. Ik heb haar sinds 1989 niet meer gezien. Op mijn netvlies heeft dus altijd dat pubermeisje van vijftien gestaan. Nu, na al die jaren is ze voor mij nog steeds dat pubermeisje van vijftien. Zelf ben ik tweeëntwintig jaar verder. De gedachte dat ze een grote meid is geworden is lastig; het idee dat zij het is op deze foto's: onwerkelijk.
Eigenlijk wil ik nu het liefst naar het studeerkamertje op de eerste verdieping, naar de kast met fotoboeken en daarin op zoek naar nóg meer beelden van vroeger. Vol gruwelijke weemoed realiseer ik mij dat ik een oude man ben geworden. Mijn zekerheden blijken geen zekerheden. Vroeger komt niet meer terug.
De koffie is ondertussen koud. Ik sta op en knal maar weer eens een Portugese fado in de cd-speler.

(Wordt vervolgd, maar niet voor jullie.)

Apeldoorn, augustus 2011