Agent 64: Spies Never Die
Er zijn van die games waarbij je na vijf minuten denkt: wacht eens even, heb ik mijn Nintendo 64 nou stiekem weer aangesloten? Agent 64: Spies Never Die is zo’n game. Alles ademt de tijd waarin polygonen nog iets magisch hadden, vijanden eruitzagen alsof ze met een broodmes uit een blok klei waren gesneden en je vrienden elkaar tijdens een potje multiplayer nog fysiek konden uitlachen.

De game weet precies wat hij wil zijn: een ouderwetse first-person shooter met een flinke scheut spionagefilm, een flinke scheut GoldenEye 007 en vooral heel veel jaren 90. Je speelt geheim agent John Walter, die uiteraard een naam heeft die zo generiek is dat hij zonder problemen op de cover van een willekeurige spionagefilm uit 1997 had kunnen staan. Zijn aartsvijand Dominic Pulp blijkt helemaal niet zo dood te zijn als iedereen dacht en dus mag Walter weer aan het werk.

Dat betekent infiltreren, schieten, hacken, dingen opblazen en ondertussen doen alsof je een uiterst serieuze geheim agent bent. De game neemt zichzelf gelukkig niet al te serieus en dat is maar goed ook. Het verhaal is vooral een excuus om je van de ene naar de andere absurde spionagemissie te sturen. Een kasteel? Check. Een space station? Uiteraard. Een penthouse? Natuurlijk. Alle klassiekers zitten erin.
En daar zit meteen de charme van Agent 64. De veertien missies zijn compact en overzichtelijk, maar zitten vol geheimen en uitdagingen. Je kunt een level gewoon uitspelen, maar daarna begint het gepriegel. Waar zat dat ene geheime object? Kan ik deze missie sneller doen? Kan ik die vijand op een andere manier uitschakelen? Voor je het weet speel je hetzelfde level voor de derde keer omdat je weigert te accepteren dat je niet alle vinkjes hebt afgevinkt. Tenslotte wil iedereen die Big Head-mode vrijspelen. Prioriteiten.

De gameplay voelt bewust ouderwets. Vijanden zijn niet bepaald tactische genieën en de besturing vraagt wat gewenning. Zo ontbreekt een herlaadanimatie volledig: je wapen verdwijnt gewoon onderin beeld en even later kun je weer schieten. Wil je gericht schieten, dan moet je daar bovendien een aparte knop voor indrukken. Het klinkt allemaal wat omslachtig en dat is het soms ook.
Vooral als je gewend bent aan moderne shooters waarin je personage soepel door iedere ruimte glijdt, voelt Agent 64 soms alsof je schoenen van beton hebt aangetrokken. Maar zodra je accepteert dat dit onderdeel van het pakket is, begint het juist te werken. This retro fun, baby.

Het leukste onderdeel is misschien wel de multiplayer. Lokale split-screen multiplayer, online spelen en co-op: precies het soort ongecompliceerde multiplayer waar tegenwoordig opvallend weinig van over is. Geen battle pass, geen winkel vol dansende poppetjes en geen seizoenspas die je moet kopen voordat je überhaupt fatsoenlijk kunt spelen. Gewoon wapens pakken en elkaar naar de digitale eeuwige jachtvelden sturen. Ik mis alleen nog het gevecht om Oddjob.
En ja, het ziet er allemaal behoorlijk gedateerd uit. Maar dat is niet per ongeluk. De blokkerige modellen, fletse textures en beperkte animaties zijn onderdeel van het concept. Agent 64 probeert niet stiekem een moderne shooter te zijn met een retrofilter eroverheen. Het wil daadwerkelijk voelen als een vergeten N64-game die ergens tussen GoldenEye en Perfect Dark in de kast is blijven liggen.

Dat maakt de game tegelijkertijd zijn grootste kracht en zwakte. Wie warme gevoelens krijgt van oude consoles, splitscreen en shooters waarin je nog gewoon door een level loopt zonder dat er iedere dertig seconden een cutscene begint, gaat hier waarschijnlijk met een brede grijns doorheen. Wie tegenwoordig alleen nog maar moderne shooters gewend is, zal waarschijnlijk vooral even moeten wennen aan hoe simpel het allemaal is.
Agent 64: Spies Never Die probeert het verleden dan ook niet te verbeteren. Het wil je er gewoon weer even in gooien. Soms wat lomp, soms wat knullig, maar vooral met een hoop liefde voor een tijd waarin shooters nog simpel mochten zijn.