Capitoolbestormers verwachten gratie; slachtoffers willen erkenning

Jigzoz

Vier jaar na de bestorming van het Capitool op 6 januari 2021 lijken veel sporen van destijds te zijn gewist. Gebroken ramen en deuren zijn vervangen, beschadigde muren netjes gerepareerd. Het is alsof de Amerikaanse geschiedenis de gewelddadige taferelen van die dag zo snel mogelijk heeft willen uitgummen. Maar onder de oppervlakte woedt er nog altijd een strijd over de herinnering en betekenis van 6 januari. Hoe kijken betrokkenen, van gedetineerde relschoppers en voormalige agenten tot politici en rechters, tegen dit moment aan, nu de nieuwe inauguratie van Donald Trump op komst is?

Van collectieve schok naar verborgen littekens
Tijdens en direct na de aanval op het Capitool heerste er in Washington D.C. een gevoel van ongeloof. De beelden van het zwaarbeveiligde hart van de Amerikaanse democratie dat werd bestormd door boze menigten met vlaggen, spuitbussen en in sommige gevallen zelfs wapens, gingen de wereld over en zorgden overal voor verbijsterde reacties. Intussen heeft het dagelijks leven in en rond het Capitool zich hervat. De fysieke sporen zijn grotendeels hersteld: men ziet geen kapotte deuren meer en kogelinslagen zijn onzichtbaar weggewerkt.

Toch is de gebeurtenis allerminst vergeten door degenen die er nauw bij betrokken waren. Een aantal Republikeinse politici probeert de aanval te minimaliseren of te downplayen; voorstanders van Donald Trump stellen dat er sprake was van een vreedzame demonstratie of dat de deelnemers oneerlijk worden behandeld door justitie. In het Capitool zelf is er, ondanks eerder aangenomen wetgeving, nog altijd geen gedenkplaat of monument om agenten te eren die de bestorming probeerden tegen te houden. Voor nabestaanden en gewonde agenten voelt dat als een gemiste kans: zij zien het uitblijven van een officiële herinnering als een teken dat de geschiedenis wordt uitgewist of gebagatelliseerd.

Agenten als gezicht van de strijd
In de eerste maanden na de aanval stonden agenten van de Capitol Police en de Metropolitan Police in de schijnwerpers. De namen als Aquilino Gonell, Harry Dunn, Daniel Hodges en Michael Fanone kwamen veelvuldig voorbij, vooral nadat ze getuigden voor de speciale onderzoekscommissie van het Huis van Afgevaardigden. Sommigen liepen lichamelijke en mentale verwondingen op die hun carrière hebben beëindigd.

Aquilino Gonell verloor niet alleen zijn gezondheid door zijn verwondingen, maar ook uiteindelijk zijn baan. Hij raakte vervreemd van voormalige collega’s en familieleden die anders over 6 januari dachten. Harry Dunn besloot de politiek in te gaan en stelde zich verkiesbaar voor een zetel in Maryland, maar haalde de eindstreep niet. Ook hij ondervindt dat veel collega’s zijn uitgesprokenheid niet kunnen waarderen.

In de aanloop naar de nieuwe inauguratie blijft het voor deze oud-agenten pijnlijk om te zien dat er geen blijvend monument is, zelfs niet de gedenkplaat die in 2022 door het Congres was goedgekeurd. Tot op de dag van vandaag is er onduidelijkheid over wie exact verantwoordelijk is voor de vertraging: de Architect of the Capitol verwijst naar de House Sergeant at Arms en andersom. Ondertussen vertellen Gonell en Dunn in interviews dat juist een zichtbaar eerbetoon belangrijk is. Het zou herinneren aan de offers die agenten hebben gebracht en dienen als waarschuwing zodat een soortgelijke aanval zich niet herhaalt.

Tussen hoop en vrees: de positie van veroordeelden
Terwijl er veel aandacht is voor de agenten, worstelen ook honderden veroordeelden met de nasleep van 6 januari. Meer dan 1.500 personen zijn aangeklaagd, van wie er ongeveer 1.000 inmiddels hebben bekend of zijn veroordeeld. De straffen variëren van relatief licht (zoals lokaalverboden of korte celstraffen) tot langdurige gevangenisstraffen voor onder meer geweldsdelicten, het aanvallen van politie en opruiende samenzwering.

Het aanstaande presidentschap van Donald Trump voedt de hoop bij deze groep op gratie of amnestie. Trump heeft immers meermaals aangegeven dat hij de veroordeelden van 6 januari als ‘slachtoffers van een doorgeschoten justitie’ ziet en dat hij de meesten ‘op dag één’ gratie wil verlenen. Onder hen zijn bijvoorbeeld Enrique Tarrio, de voormalige leider van de Proud Boys, die 22 jaar cel kreeg voor het leiden van de samenzwering, ondanks dat hij zelf niet fysiek aanwezig was in Washington tijdens de bestorming en Russell Taylor, die ooit een belangrijke getuige was in rechtszaken rond een andere militie (Three Percenters), maar nu zelf schuld heeft bekend aan obstructie van een officieel proces.

Mensen zoals Dominic Box, die zijn straf in de gevangenis afwacht, rekenen er heilig op dat Trump hen vrij zal laten. In interviews vanuit de cel benadrukken ze dat ze geen spijt hebben van hun daden en dat het ‘niet meer dan terecht’ is dat de nieuwe president hen straks waarschijnlijk gratie verleent.

De pogingen om 6 januari te herschrijven
De nieuwe machtsverhoudingen in Washington D.C. hebben niet alleen invloed op gedetineerden, maar ook op de manier waarop men terugblikt op 6 januari. Republikeinen die kort na de aanval nog fel uithaalden naar Trump (“count me out”, aldus senator Lindsey Graham destijds), hebben na verloop van tijd hun toon verzacht. Veel prominente figuren binnen de partij varen liever een toekomstgerichte koers.

Opvallend is dat sommige Republikeinse politici nu zelfs zeggen dat de politie te ver ging bij het handhaven van de wet. Daarbij klinkt het verwijt dat het ministerie van Justitie ‘onevenredig streng’ heeft opgetreden tegenover Trump-aanhangers.

Tegelijkertijd wordt het verhaal van de dag zelf steeds verder opgerekt. Waar Trump en zijn aanhangers spreken van ‘een vreedzame bijeenkomst die escaleerde’, benadrukken agenten en justitie juist de intense geweldsincidenten en de doodsbedreigingen aan het adres van politici (onder wie Mike Pence en Nancy Pelosi). Voor slachtoffers voelt het alsof hun trauma’s steeds verder worden geminimaliseerd.

De menselijke kant: families en moed
Onder de mensen die zich het meest sterk maken voor gratie en rehabilitatie bevinden zich familieleden van gevangenen en slachtoffers. Wat hierbij opvalt, is dat de nabestaanden of familieleden niet alleen de overheid aanklagen, maar ook wijzen op tekortkomingen in de beveiliging op 6 januari en wat volgens hen “fouten van justitie” zijn. Voor nabestaanden van overleden agenten en gewonden die dag, komt deze visie over als een poging de verantwoording weg te duwen.

Een land verdeeld, een toekomst ongewis
Met de aanstaande nieuwe inauguratie voelt de breuklijn rondom 6 januari weer pijnlijk actueel. Waar de ene groep vergeving en ‘genezing’ wil omdat Trump weer president wordt, vreest een andere groep juist dat hiermee een onacceptabele bladzijde uit de geschiedenis wordt omgeslagen. De vraag is hoe lang het lukt om 6 januari te blijven ‘wissen’ uit de publieke arena. Zolang er rechtszaken lopen en veroordeelden aankloppen voor gratie, is 6 januari niet louter verleden maar ook heden.

De diepe kloof tussen de kampen toont dat de wonden die op 6 januari 2021 zijn geslagen, nog lang niet zijn geheeld. De manier waarop de geschiedenis van die dag wordt geschreven en hoe de rechterlijke macht en de politiek omgaan met gratieverzoeken, heeft sowieso verstrekkende gevolgen voor de toekomst van de Amerikaanse democratie.

De roep om ‘het verleden te laten rusten’ klinkt luid bij sommige politici en een groot deel van de achterban van Donald Trump. Maar tegelijk vechten agenten, nabestaanden en democratische wetgevers nog steeds voor erkenning van wat er is gebeurd. Deze botsende, zeer gepolariseerde narratieven blijven bepalend voor hoe Amerika zichzelf ziet, hoe het verder wil en hoe stevig de democratische fundamenten werkelijk zijn.