Nederlandse wegen steeds Belgischer
Wie weleens met de auto vanuit Nederland België binnenrijdt kan het niet ontgaan zijn: plotseling verandert de weg in een gatenkaas. Toch wordt die overgang al enige tijd steeds minder abrupt. Het Nederlandse wegennet krijgt al tijden niet meer het onderhoud dat nodig is om de wegen in topconditie te houden. Dat komt door politieke keuzes, zowel op landelijk als gemeentelijk niveau. Ondertussen lopen de verwachte onderhoudskosten in de toekomst alleen nog maar verder op.
Lokale overheden hebben dringend extra financiering nodig van het Rijk om de verouderde infrastructuur te onderhouden en te vernieuwen. Ongeveer 80 procent van alle bruggen, sluizen, viaducten en wegen in Nederland valt onder het beheer van gemeenten. Veel van deze constructies, die vaak dateren uit de jaren 60 en 70, naderen het einde van hun levensduur. Door een gebrek aan financiële middelen en prioriteitstelling stellen lokale overheden het onderhoud en de vervanging hiervan echter steeds verder uit. Dit leidt tot versnelde slijtage, vooral omdat de belasting op wegen en andere infrastructuur de laatste jaren aanzienlijk is toegenomen.
Uit een rapport van onderzoeksbureau TNO blijkt dat er jaarlijks 2,4 miljard euro nodig is voor het onderhoud van de huidige infrastructuur. Dit bedrag zal naar verwachting oplopen tot 3 miljard per jaar in 2040. Gemeenten zijn verantwoordelijk voor meer dan de helft van deze kosten, exclusief de extra uitgaven die nodig zijn door bodemdaling, zwaardere voertuigen en verduurzaming. Lokale overheden financieren deze kosten uit het gemeentefonds, dat wordt gevuld door het Rijk. Echter, veel van dit geld wordt besteed aan sociale dienstverlening, zoals bijstand en jeugdzorg, waardoor er onvoldoende budget overblijft voor infrastructuuronderhoud.
Volgens Marcel Boogers, hoogleraar Democratie en Transitie aan de Universiteit Utrecht, zijn er drie belangrijke oorzaken voor het uitstelgedrag van gemeenten: jarenlange bezuinigingen, onduidelijkheid over eigenaarschap van infrastructuur en financiële problemen bij gemeenten. Ondanks de dringende behoefte aan extra financiering, betwijfelt Boogers of dit de oplossing is. Hij benadrukt dat het geld specifiek geoormerkt moet worden voor infrastructuur, anders wordt het mogelijk aan andere zaken besteed.
Minister Madlener (PVV) wijst erop dat infrastructuuronderhoud een kerntaak van gemeenten is en dat zij moeilijke keuzes moeten maken als er tekorten zijn. Zelfs met extra financiering uit Den Haag zullen de problemen echter niet direct opgelost zijn. TNO constateerde dat slechts 12 van de 342 gemeenten een prognose had voor de benodigde vernieuwingen. Lokale overheden geven deze taak vaak geen prioriteit en wisselingen in het bestuur maken het moeilijk om langdurige financiële plannen te maken.
Van Burgsteden van de VNG pleit voor de oprichting van een gezamenlijk fonds door gemeenten, provincies en het Rijk, omdat gemeenten deze grote onderhoudsopgave niet alleen aankunnen. Samenwerking is volgens Peter Rasker van TNO essentieel. Door bruggen en viaducten in series te vervangen of alternatieve oplossingen zoals renovatie te overwegen, kan de vernieuwing efficiënter en sneller verlopen. Uiteindelijk is de boodschap duidelijk: er is dringend actie en samenwerking nodig om de Nederlandse infrastructuur veilig en functioneel te houden.