Meer zelfdodingen onder jongeren: nieuwe campagne moet taboe doorbreken en gesprek openen

Het aantal zelfdodingen onder jongeren tot 30 jaar neemt de laatste tien jaar duidelijk toe. In 2014 maakten 212 tieners en twintigers een einde aan hun leven, in 2024 waren dat er 299, blijkt uit cijfers van het CBS. De groep jongeren groeide in die periode ook, maar minder hard dan het aantal zelfdodingen. Volgens bijzonder hoogleraar suïcidepreventie Renske Gilissen is er sprake van een stijgende lijn. Zij zegt dat er al langer signalen zijn dat het mentaal slecht gaat met jongeren en noemt zelfdoding "de slechtste uitkomst" van die ontwikkeling.

Stichting 113 start daarom de campagne Lessen voor het leven. Die richt zich op het terugdringen van zelfdoding onder jongeren en het openen van het gesprek over mentale gezondheid in de klas en thuis. De organisatie wijst erop dat praten grotendeels anoniem kan, via de chat op 113.nl of telefonisch op 113 of 0800-0113. Het doel is dat jongeren eerder hulp zoeken en dat mensen in hun omgeving beter leren vragen hoe het echt met iemand gaat.

Mannen overlijden nog steeds vaker door zelfdoding dan vrouwen, maar bij jonge vrouwen is er een opvallende stijging. Gilissen ziet bij hen ook een toename van zelfbeschadiging. Zij benadrukt dat er geen enkele duidelijke oorzaak is voor de hogere aantallen. Om beter te begrijpen wat er speelt, spreekt 113 sinds enkele jaren uitgebreid met nabestaanden van mensen die door zelfdoding zijn overleden. Hun verhalen en ingevulde vragenlijsten komen in een databank, die weer inzicht moet geven in terugkerende patronen.

Uit die gesprekken blijkt dat veel overleden jongeren vroegtijdig met school stopten. Ook vallen verschillen op tussen mannen en vrouwen. Vrouwen waren vaak al in zorg voordat zij zichzelf iets aandeden, soms met eerdere pogingen. Bij mannen lijkt het vaker ogenschijnlijk uit het niets te komen. In die groep ziet 113 vaker problemen als autisme en verslaving. Volgens Gilissen maakt die mix van factoren het lastig om tijdig in te grijpen, juist omdat niet altijd duidelijk is dat iemand in gevaar is.

Hoe onverwacht zoiets kan zijn, weet Cindy van Hamond uit eigen ervaring. Haar broer Leroy maakte in 2007 een einde aan zijn leven. De avond ervoor troostte hij haar nog na het uitgaan van haar relatie en zei hij: "Niet huilen, het komt allemaal goed." De volgende ochtend hoorde Cindy haar moeder schreeuwen bij het trapgat. Ze verstijfde en belde 112. Pas achteraf zag ze hoe diep hij vastzat. "Mijn broertje zat in de knoop. Hij leidde twee levens. Ik wist dat hij foute vriendjes had, maar niet dat hij zo ver was dat hij geen uitweg meer zag. Hij had ook twee vriendinnetjes tegelijk. Hij heeft zich klem gelogen."

De dood van Leroy veranderde Cindy blijvend. Zij besloot zich in te zetten om het taboe rond mentale problemen te doorbreken. Inmiddels geeft ze les op een mbo-school in Tilburg en praat ze bewust met studenten over hun mentale gezondheid. De komende maanden komen er gastlessen over dit onderwerp, met in juni een festival als afsluiting. Volgens haar is de nood hoog onder jongeren en is het belangrijk dat scholen ruimte maken voor deze onderwerpen, zodat problemen eerder zichtbaar worden en jongeren niet pas hulp krijgen als het misgaat.

Klinisch psycholoog Maryke Geerdink vindt dat iedereen een rol heeft bij het voorkomen van zelfdoding. Zij pleit ervoor dat mensen durven vragen naar gedachten aan de dood. "Zorg dat je comfortabel bent met het stellen van die ene vraag: 'Zijn er wel eens momenten dat je denkt: het zou beter zijn als ik er niet meer ben?'" Als iemand dat herkent, is het volgens haar belangrijk om niet meteen te zeggen dat diegene "niet zo moet denken", maar vooral te luisteren en door te vragen: wat heb je nu nodig, of wat zou helpen?

Geerdink benadrukt dat dit niet alleen over jongeren met een diagnose gaat. Ook mensen met schulden, mensen die hun baan kwijtraken of jongeren die voortijdig stoppen met school lopen meer risico. Volgens haar werkt suïcidepreventie alleen als familie, vrienden, scholen, zorgverleners en collega’s actief opletten en in actie komen. Hoe eerder iemand merkt dat iemand vastloopt en daar rustig naar vraagt, hoe groter de kans dat er een andere uitweg mogelijk blijft.