Kabinet schuift stikstofproblemen weer verder voor zich uit

Het kabinet-Schoof kiest opnieuw voor uitstel in het slepende stikstofdossier. In een conceptbrief die door RTL Nieuws is ingezien, getiteld Startpakket Nederland van het slot, staat dat de wettelijke doelstelling voor 2030 wordt losgelaten. In plaats daarvan moeten de landbouw, de industrie en de mobiliteitssector in 2035 hun eigen, bron­gerichte reductiedoelen halen. Daarmee komt het kabinet niet alleen terug op het akkoord uit 2019, maar negeert het ook een recente rechterlijke uitspraak die de staat verplicht het oorspronkelijke 2030-doel na te leven. Waar nu nog wettelijk is vastgelegd dat in 2030 op de helft van alle Natura 2000-gebieden de kritische depositiewaarde niet meer mag worden overschreden, verschuift de aandacht voortaan naar de hoeveelheid stikstof die aan de bron wordt uitgestoten.

Het nieuwe schema kent drie percentages ten opzichte van het referentiejaar 2019: de landbouw, verantwoordelijk voor ongeveer twee derde van alle emissies, moet 42 tot 46 procent minder uitstoten, terwijl de industrie en het verkeer hun uitstoot allebei moeten halveren. Het kabinet presenteert deze verschuiving als ‘uitvoerbaarder’ en ‘realistischer’, maar tegelijkertijd ligt de juridische onderbouwing nog open. De Raad van State werkt aan een advies en ook de eigen juridische adviseurs van de regering betwijfelen of de regeling een nieuwe gang naar de rechter zal overleven. In Den Haag circuleert inmiddels de vrees dat Nederland straks te maken krijgt met een dwangsom van tien miljoen euro per jaar, opgelegd door de rechtbank Den Haag, en mogelijke Brusselse inbreukprocedures wegens het niet halen van de Europese biodiversiteitsdoelen.

Om de natuur op korte termijn toch enige verlichting te geven, kiest het kabinet voor een geclausuleerde aanpak. Rond de Veluwe en De Peel worden proefprojecten gestart met bufferzones van 250 meter waarbinnen bedrijven sterk moeten reduceren, verplaatsen of vrijwillig stoppen. Voor deze pilots is 600 miljoen euro vrijgemaakt in de voorjaarsnota. Landelijk zouden uiteindelijk ongeveer 1.800 bedrijven in vergelijkbare zones kunnen vallen, maar het kabinet spreidt die discussie tot na de zomer uit om politieke steun en extra financiering te organiseren. Intussen komt er voor boeren 750 miljoen euro beschikbaar voor een vrijwillige opkoopregeling, 675 miljoen voor inkrimping van de veestapel en 100 miljoen voor natuurherstel. Die bedragen lijken fors, maar tegenover het totale prijskaartje van vier tot mogelijk twintig miljard euro, afhankelijk van de mate van sanering en innovatie, vormen ze slechts een voorschot.

Daarnaast kondigt minister Femke Wiersma een pakket bronmaatregelen aan. Trajectcontroles langs Natura 2000-gebieden moeten de rijsnelheid en daarmee de NOₓ-emissie terugdringen. Er komt een sloopregeling voor oudere diesel- en benzineauto’s, afvalverbrandingsinstallaties moeten versneld overschakelen op schone technieken en industriële piekbelasters moeten in maatwerkafspraken harde emissieafspraken vastleggen. Bij al deze maatregelen blijft onduidelijk hoeveel reductie ze precies opleveren en hoe handhaving wordt geregeld. Het kabinet verwijst naar later onderzoek, wat ertoe leidt dat veel provincies hun vergunningverlening voorlopig alsnog op een laag pitje houden uit angst voor nieuwe procedures wanneer natuurorganisaties naar de rechter stappen.

De bouw- en infrasector ziet één lichtpunt: de zogeheten rekengrens zou mogelijk worden verhoogd naar één mol stikstof per hectare per jaar. Projecten die daaronder blijven, zouden geen natuurvergunning meer nodig hebben. De branche hoopt dat daarmee negentig procent van de woningbouw weer kan starten, maar zolang de Raad van State het rekenmodel niet heeft goedgekeurd, durven omgevingsdiensten vaak geen definitieve vergunningen af te geven. Zo blijft de economie, ondanks de beoogde versoepeling, afhankelijk van juridische uitspraken die pas komen wanneer projecten al in aanbesteding zitten.

Voor natuurorganisaties is de nieuwe koers ‘symptoombestrijding in slow motion’. Zij wijzen erop dat uitstel de ecologische schade verdiept: vergrassing zet zich voort, kwetsbare hoogvenen oxideren en soorten verdwijnen terwijl het RIVM vorig jaar al waarschuwde dat zelfs met het oude 2030-tempo slechts een deel van de Nederlandse natuur op tijd onder de kritische depositiewaarde zou komen. Extra vertraging maakt het herstel volgens ecologen duurder; plaggen, bekalken en maaibeheer nemen in intensiteit en kosten toe, terwijl bronreductie later alsnog even diep zal moeten ingrijpen. Die dubbele rekening van hogere herstelkosten én een verlate saneringsnota belandt uiteindelijk bij de belastingbetaler.

Boeren- en milieuorganisaties delen wel de frustratie over het gebrek aan langetermijn­perspectief. Boeren zien nog steeds geen duidelijke routekaart voor investeringen in emissiearme stallen of kringlooplandbouw. Milieuclubs vrezen dat vrijwillige regelingen zonder harde stop- of krimp­doelen onvoldoende zijn om de structurele overschrijdingen terug te dringen, waardoor rechterlijke interventies juist waarschijnlijker worden. De onzekerheid over de onderliggende budgetten (over de budgetten wordt pas in augustus onderhandeld) ondergraaft het vertrouwen dat het kabinet eindelijk een consistente lijn zal vasthouden.

Ook de regionale verhoudingen komen onder druk. Provincies buiten Gelderland en Noord-Brabant voelen zich achtergesteld nu pilots en middelen eerst naar de Veluwe en De Peel gaan. Zij overwegen eigen bufferzones en afkapnormen, wat het gevaar met zich meebrengt dat Nederland een lappendeken van regels krijgt. Ondernemers kunnen dan shoppen tussen regio’s met soepelere of strengere regimes, zonder dat de nationale stikstofbalans wezenlijk verbetert. De bestuurlijke versnippering die daaruit volgt, maakt monitoring en handhaving nog complexer, terwijl één van de lessen van de eerdere stikstofcrisis juist was dat uniforme regels essentieel zijn om rechtszaken en stillegging te voorkomen.

Door de lat vijf jaar verder weg te leggen neemt Nederland bovendien het risico internationaal gezichtsverlies te lijden. In Brussel profileert Den Haag zich graag als voorloper in circulaire landbouw en natuurinclusieve economie, maar de geloofwaardigheid van die claim kalft af nu de binnenlandse deadlines voortdurend verschuiven. De timing is pikant: in 2026 moet Nederland de eerste voortgangsrapportage indienen voor de nieuwe Europese herstelverordening. Als het uitstel in eigen land niet gepaard gaat met een aantoonbaar scherp reductiepad, dreigt Nederland in dezelfde positie te belanden als bij de Kaderrichtlijn Water, waar jaren uitstel uiteindelijk leidde tot dwingende Brusselse druk en fors hogere saneringskosten.