Mona Keijzer (BBB) naar rechter om groepsbelediging
Minister Mona Keijzer, momenteel vicepremier namens de BoerBurgerBeweging (BBB), heeft zich in een ongebruikelijke juridische strijd gestort om haar reputatie te zuiveren en duidelijkheid te krijgen over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting in het politieke debat. Aanleiding daarvoor zijn uitspraken die zij in mei deed tijdens het televisieprogramma Sophie & Jeroen, kort nadat het hoofdlijnenakkoord van PVV, VVD, NSC en BBB was gepresenteerd.
Keijzer, toen nog BBB-Kamerlid, verwees in dat optreden naar antisemitisme in islamitische landen en suggereerde dat dit bijna als een onderdeel van de cultuur kon worden gezien. Haar woorden leidden tot aangiftes en vervolgens tot een oordeel van het Openbaar Ministerie (OM) dat, hoewel het geen vervolging instelde, haar wel in beginsel schuldig achtte aan groepsbelediging. Die constatering is voor Keijzer onaanvaardbaar, omdat die volgens haar niet alleen haar eigen integriteit aantast, maar ook het maatschappelijk debat kan smoren en de vrijheid van meningsuiting geweld aandoet.
In het betreffende televisieoptreden zei Keijzer onder meer: “Veel asielmigranten komen uit landen met een islamitisch geloof. Jodenhaat is daar bijna onderdeel van de cultuur.” Zij voegde daar nadrukkelijk aan toe dat het niet voor elke moslim geldt, maar wilde wijzen op het feit dat antisemitisme volgens haar in veel landen met een islamitische signatuur wijdverbreid is. Toen zij daarop werd aangesproken, reageerde Keijzer met: “Ontkent u dan dat bij mensen met een islamitisch geloof antisemitisme vaak onderdeel is van de cultuur? Ik ben gewoon verbaasd dat dit ontkend wordt.”
Deze uitlatingen hebben tot felle reacties geleid. Zestien personen deden aangifte tegen haar wegens groepsbelediging. Het OM concludeerde uiteindelijk dat Keijzer zich inderdaad schuldig had gemaakt aan onnodig grievende uitspraken jegens een bepaalde bevolkingsgroep, maar besloot tevens dat vervolging een te verregaande inbreuk op de vrijheid van meningsuiting van een politicus zou betekenen. Daarom werd de zaak geseponeerd. Keijzer werd dus niet vervolgd, maar de redenering van het OM bleef boven de markt hangen, hetgeen haar diep raakte. Zelf zegt ze daarover: “Het feit dat dit jou wel neerzet als iemand die zich strafbaar heeft gemaakt aan groepsbelediging, daar vind ik wel wat van. Ik word weliswaar niet vervolgd, maar het raakt mijn integriteit, het smoort ook het maatschappelijke debat. Daarmee doet het ook de vrijheid van meningsuiting geweld aan.”
Aanvankelijk besloot Keijzer om niet juridisch in verweer te gaan tegen de motivering van het OM. “Het deed me wat, maar we waren net aangetreden als kabinet. Procederen is niet eenvoudig. Dat kost heel veel tijd, geld en energie. En ik heb een ongelooflijk zware baan. Dus ik dacht: Keijzer, het is wat het is, en door.” Toch is ze op dit standpunt teruggekomen toen duidelijk werd dat de groep die aangifte had gedaan een zogenoemde artikel 12-procedure is gestart om het gerechtshof te vragen alsnog vervolging af te dwingen. Dit betekent dat er een reële kans bestaat dat een rechter kan oordelen dat het OM haar toch moet gaan vervolgen. Keijzer vindt dat onacceptabel, temeer omdat ze zelf nooit als partij is gehoord in de nasleep van het sepot en omdat zij vindt dat haar eigen integriteit nu voor de tweede keer wordt aangetast: “Toen heb ik wel gedacht: nu is het klaar. Nu wordt voor de tweede keer mijn integriteit aangetast.”
In de nieuwe zaak rond het artikel 12-verzoek tegen haar is Keijzer op dit moment geen formele partij. Om die reden laat ze via haar advocaten, Geert-Jan Knoops en Carry Knoops-Hamburger, een procedure voeren om als belanghebbende te worden aangemerkt. Daarnaast start ze zelf een artikel 12-procedure om het OM ertoe te bewegen zijn eerdere motivering, waarin gesteld wordt dat haar uitspraken strafbaar zijn, in te trekken.
Dat is een ongebruikelijke stap, omdat artikel 12-procedures normaliter worden gebruikt om alsnog vervolging af te dwingen, niet om een sepotbeslissing in het voordeel van de verdachte te herzien. In dit geval ziet het juridische team van Keijzer echter een uitzondering, juist omdat de argumentatie van het OM volgens hen een stigmatiserend effect heeft op haar positie in het maatschappelijk leven. “Het sepotbesluit van het OM was terecht, maar de motivering stigmatiserend”, zegt advocaat Geert-Jan Knoops. “De minister wordt niet vervolgd, maar heeft zich in beginsel wel schuldig gemaakt aan groepsbelediging: dat is de boodschap van het OM. Die zal haar voorgoed in haar verdere carrière nagedragen worden. Het is zeer nadelig voor haar positie als minister en voor haar verdere politieke toekomst.”
Keijzer zelf stelt dat haar uitspraken feitelijk te onderbouwen zijn en dat de data en onderzoeken waar zij zich op baseert een legitieme bron van maatschappelijk debat vormen. “Zodat ik kan uitleggen waarom hier geen sprake is van strafbare groepsbelediging. Ik heb mij gebaseerd op feiten en cijfers. Feiten kunnen nooit strafbaar zijn.” Om dit nader te onderbouwen, heeft de minister twee hoogleraren, Afshin Ellian en Ruud Koopmans, benaderd om deskundigenrapportages te schrijven die moeten aantonen dat haar opmerkingen niet zomaar uit de lucht komen vallen, maar gegrond zijn in empirisch materiaal. Op die manier wil Keijzer laten zien dat haar uitspraken binnen de context van een politiek debat over migratie en integratie vallen, en dat ze daar als politicus over moet kunnen spreken zonder het risico te lopen een strafbaar feit te plegen.
Een belangrijk aspect in de hele kwestie is de impact op de vrijheid van meningsuiting, zeker als het gaat om politici die maatschappelijke problemen aan de kaak willen stellen. Keijzer benadrukt dat het hier gaat om meer dan alleen haar eigen reputatie: “Dit is zeker niet niks, maar hier hangt te veel aan vast om dit zomaar te laten gebeuren. Deze gang van zaken smoort het maatschappelijk debat.” Ook geeft ze aan dat ze zich niet neer wil leggen bij een situatie waarin politici zich geïntimideerd voelen om bepaalde onderwerpen te bespreken. “Beschaafd, met rechtsmiddelen, zoals het hoort. Maar dit kan zo niet. Niet binnen de vrije westerse samenleving die wij willen zijn.”
Voor de minister staat veel op het spel. Mocht het gerechtshof beslissen dat er alsnog vervolgd moet worden, dan kan dit gevolgen hebben voor haar positie in het kabinet. Haar reactie daarop is nuchter: “Dat zien we dan wel weer.” Het risico is er, maar volgens Keijzer staat de principiële kwestie op het spel dat politici, en ook burgers, vrijuit moeten kunnen debatteren over lastige onderwerpen. Het gaat volgens haar niet alleen om antisemitisme of de islam, maar om de vraag of in Nederland, dat zichzelf graag ziet als vrije, open samenleving, complexe kwesties nog ter discussie mogen worden gesteld zonder juridische repercussies.
De advocaten van Keijzer verwachten dat het gerechtshof zich eerst zal uitspreken over het artikel 12-verzoek van de aangevers, die vervolging willen afdwingen. Daarna zal er een oordeel volgen over het verzoek van Keijzer zelf, waarmee zij de volgens haar ‘stigmatiserende’ constatering van het OM hoopt terug te draaien.
Het verloop van deze procedures is onzeker, maar ze zullen hoe dan ook een precedent scheppen voor de manier waarop de vrijheid van meningsuiting en politieke uitlatingen in Nederland juridisch worden beschermd. Volgens Keijzer is dit cruciaal, want: “antisemetisme is een reëel probleem. Daar moet je ook wat over kunnen zeggen in een maatschappelijk debat.”
De uitkomst van deze juridische strijd zal bepalen of het OM verplicht wordt om Keijzer alsnog te vervolgen, of dat de constatering van strafbare groepsbelediging wordt teruggenomen. Wat de uitkomst ook zal zijn, de zaak rond Mona Keijzer legt bloot hoe gevoelig, complex en politiek beladen het spanningsveld is tussen vrije meningsuiting, maatschappelijk debat en de strafrechtelijke bescherming van minderheden.
De inzet van Keijzer is volgens haar om het maatschappelijk debat niet in de kiem te laten smoren door juridische oordelen die volgens haar haar integriteit en reputatie onterecht schaden. “Ik heb mij gebaseerd op feiten en cijfers. Feiten kunnen nooit strafbaar zijn.” Haar streven is, zegt ze, om niet alleen haar eigen naam te zuiveren, maar ook het signaal af te geven dat politici in Nederland scherpe thema’s moeten kunnen bespreken, ongeacht hoe gevoelig deze liggen, zonder onmiddellijk in het strafrechtelijk domein terecht te komen.
