Van as tot as: hoe Philip Morris sigaretten produceerde in Auschwitz

Philip Morris produceerde vanaf 1996 sigaretten in een oud tabakspakhuis op het terrein van vernietigingskamp Auschwitz dat door de SS was gebruikt om gevangenen te martelen en executeren. Tegelijkertijd lanceerde het bedrijf een pr-campagne waarin rokers werden vergeleken met onderdrukte Joden in de nazitijd, beschrijft historicus Robert Proctor. 

Na de val van het communisme grepen ’s werelds grootste tabaksfabrikanten hun kans om oude fabrieken op te kopen in voormalige Sovjet-landen om daarmee de kersverse Oost-Europese markt te kunnen bedienen. In welvarendere delen van de wereld begon het aantal rokers toen al te dalen en het net geopende Oost-Europa bood een ongekende markt van potentiële ‘replacement smokers’, zoals de industrie ze beschreef.

In een recent onderzoek, gepubliceerd in Public Culture, beschrijft professor Robert Proctor, auteur van het standaardwerk over de geschiedenis van de tabaksindustrie, Golden Holocaust, hoe Philip Morris in 1996 een oude fabriek op het terrein van voormalig vernietigingskamp Auschwitz kocht om er sigaretten te produceren. Dezelfde gebouwen waren tijdens de Tweede Wereldoorlog door de SS gebruikt om er gevangenen die met de eerste transporten naar Auschwitz waren gebracht te martelen en te executeren.

Pakhuis voor tabak en gevangenen
Philip Morris (PM) kocht onder andere het bedrijf ZPT-Krakow, wiens vier tabaksfabrieken eerder allemaal waren gebruikt voor nazi-gruweldaden. De grootste was gevestigd op het terrein van het vernietigingskamp Auschwitz. In de jaren 20 was het gebouw overgenomen door het tabaksmonopolie van de Poolse overheid om het als pakhuis voor tabak te gebruiken. In 1940 kreeg het gebouw een centrale plek in de architectuur van Auschwitz.

De SS gebruikte het gebouw in eerste instantie als ‘pakhuis’ voor gedoemde gevangenen die net van de trein waren gekomen over spoor waarover voorheen Amerikaanse tabak werd aangevoerd. Daarna werd het gebouw gebruikt als het hoofdkwartier van de Waffen SS, die vele gruwelijkheden binnen en buiten het kamp coördineerde. In de jaren 90 zou Philip Morris het gebouw zonder schroom in gebruik nemen als sigarettenfabriek, die schrijnend genoeg ook weer vele doden zou gaan veroorzaken in Oost-Europa. Hoewel een cameraploeg van de BBC in 1996 praktisch voor de fabriek stond, heeft PM’s aanwezigheid in het voormalige concentratiekamp nooit het nieuws bereikt.

PR-campagnes met nazivergelijkingen
Terwijl de PM-fabriek op het terrein van Auschwitz twee jaar lang sigaretten stond te produceren, lanceerde het bedrijf tegelijkertijd een Europese pr-campagne à 2,9 miljoen dollar waarin sigaretten werden voorgesteld als een symbool van vrijheid, met advertenties waarin rokers werden vergeleken met de vervolgde Joden in de nazitijd. Daarin was PM in de jaren 90 niet de enige, ook andere sigarettenfabrikanten vergeleken rokers in reclamecampagnes met slachtoffers van de Holocaust. Anti-roken werd voorgesteld als het nieuwe antisemitisme.

Philip Morris verspreidde advertenties met kaarten van de Amsterdamse Jodenbuurt als het ‘Rokersgedeelte’ met de tekst: “Waar zullen ze de lijn trekken?” De insinuatie dat rokers als Joden in getto’s werden afgezonderd en gezondheidsbepleiters als nazi’s hun vrijheid hadden afgepakt, is extra schrijnend in het licht van de gelijktijdige aankoop van de Auschwitz-fabriek.

Is het arrogantie, rauwe hebzucht of morele blindheid om zonder oog voor historische symboliek het allerdodelijkste product in de menselijke geschiedenis te laten produceren in het grootste nazivernietigingskamp? Uit interne documenten van de tabaksindustrie – die zijn vrijgegeven tijdens rechtszaken – blijkt dat Philip Morris zich wel degelijk bewust was van de voorgeschiedenis en voorbereid was om deze pr-blunder te maskeren. PM consulteerde voor deze zaak zijn voormalig president, Clifford H. Goldsmith, die als Duitse Jood nota bene zelf vijf maanden had doorgebracht in een Duits concentratiekamp. Was hij daadwerkelijk blind voor het genocide-verleden van Auschwitz of had hij de propaganda over roken als vorm van vrijheid dermate geïnternaliseerd dat hij hier geen tegenstrijdigheid in zag?

In december 1999, nadat PM er al gestopt was met de sigarettenproductie, deed de tabaksfabrikant de gebouwen om niet over aan de Poolse staat. De naam Philip Morris werd daarbij uit het kadaster geschrapt.

Het herdenken van overlappende gruwelijkheden
In zijn uitgebreide artikel vraagt historicus Proctor zich af hoe we gruwelijkheden kunnen herdenken die elkaar op deze manier overlappen. Het herdenken wordt namelijk bemoeilijkt wanneer gebeurtenissen op dezelfde plek hebben plaatsgevonden, maar in de tijd van elkaar gescheiden zijn. De ene infrastructuur van dood en vernietiging kan zo zichtbaar zijn terwijl die die het vervangt aan onze aandacht ontsnapt. Het doelbewust concentreren en elimineren van 6 miljoen Joden in kampen is nu in al haar onbehouwen wreedheid in ons geheugen gegraveerd. Het langzaam doden van 8 miljoen mensen per jaar door optimaal verslavende sigaretten in de samenleving te brengen vanuit onopvallende fabrieken blijkt echter onzichtbaar genoeg om niet eens als catastrofe te worden herkend.

Sigaretten zijn nog steeds de voornaamste oorzaak van ziekte en sterfte in de wereld, maar fabrikanten hebben deze tragedie kunnen verhullen door de schuld naar het individu te verschuiven en het roken te framen als een vorm van vrijheid. Mensen doelbewust verslaafd maken aan een product dat de helft van hen zal doden is echter niet anders te beschrijven dan kwaadaardig.

Het eerste eerlijke tabaksmuseum
Proctor draagt een oplossing aan voor het waardig stilstaan bij deze tweevoudige massamoord als hij schrijft: “Is het te veel gevraagd dat de drie Tabaksmonopoliegebouwen – ontstaan in monopolie, herbestemd uit rassenhaat en opgeknapt voor longcriminaliteit – worden verbouwd tot het eerste eerlijke tabaksmuseum ter wereld, ter ere van de doden op deze heilige plaats van dodelijke overtredingen?” Het omgekeerde gebeurde al in Virginia, betoogt hij, waar het Virginia Holocaust Museum is gevestigd in voormalige tabakspakhuizen. “Beter nog, waarom veranderen we niet alle tabaksfabrieken ter wereld in leven-gevende onderwijscentra, ziekenhuizen of gedenktekens voor de aanhoudende gruweldaden?”