Geile Teenagerliebe

Bert (superworm)

Ich liebe sie
Ich träum’ von ihr
In meinen Träumen
Tanzt sie mit mir


Gisteravond kwam een collega die ik al maanden ken, voor het eerst bij mij thuis langs. Hij bleek toevallig zijn hele leven al één straat verderop te wonen, hetgeen natuurlijk direct voor een nieuwsgierige binding zorgde. Verder bleek hij nog druk in het verwerkingsproces van zijn laatste relatie te verkeren, waarin hij een meisje met borderline als vriendin had gehad. Ik vertelde hem in de pauze dat ik dat ook had meegemaakt, hetgeen vaste lezers kunnen beamen, waarna ik hem vervolgens alle stukken die ik ooit over haar schreef op FOK! doorlinkte, in totaal twaalf stuks. Een dag later mailde hij terug dat hij ze allemaal had gelezen en vrijwel alles herkende. Vandaar de ontmoeting.

Er werd veel gepraat onder het genot van bier en Glen Talloch. Over collega’s, over relaties, herkenningspunten, verschillen, maar ook over geopolitiek, complottheorieën, de voor- en nadelen van de PVV, noem het maar op. Ik ging slapen met het fijne gevoel van gonzende gebeurtenissen en hectische herinneringen die voort blijven malen in de grijze brij van mijn hersenpan. Dit, wellicht ook in combinatie met de alcohol in mijn bloed, zorgde voor een bijzonder chaotisch dromenpatroon, waarbij ik meerdere malen wakker werd (wat me normaal zelden gebeurt). Zoals altijd herinnerde ik me toen ik om half één ’s middags definitief wakker werd, slechts de laatste droom, waarin ik met een mooi anoniem meisje op vakantie was (in Berlijn, natuurlijk), en waar uiteindelijk de droom eindigde met de vrouw op mijn schoot, heftig zoenend in de hotelkamer, naakt natuurlijk, ik pakte met mijn schrijfhand mijn harde geslacht en friemelde hem in haar geval, ze lachte goedkeurend, zoog het ding op en sopte gestadig op en neer –

Doch wenn ich aufwach’
Dan fällt mir wieder ein
Sie liebt einen andern
Und ich bin allein


Verward, met een Ontzettend Dikke Middag-Lul half uit de onderbroek hangend, ging ik op de rand van mijn bed zitten en wreef ik in mijn ogen. Ik checkte mijn ondergoed – tot een hoogtepunt was het nog niet gekomen, maar de opwinding van de nacht tekende zich wel degelijk zichtbaar af op het zwarte elastan. Het was lang geleden dat ik zo (k)levendig en geil had gedroomd. Zoals gezegd heb ik vrijwel nooit ‘natte’ dromen. Omdat ik al een tijdje single ben en goed ben in het beste vriend worden van vrouwen, maar niet goed in de kunst van het veroveren, heb ik echter al behoorlijk lang geen seks(uele activiteiten) gehad. Ooit, in die borderline-relatie, was het vaak meerdere keren per dag feest, twee jaar lang, maar zoals dat went en verslavend is, zo went ook de sleur van géén seks en géén relatie. Toch was de confrontatie met mijn lege, allene leventje groot, zo wakker wordend in mijn met niemand gedeelde bed, uit de meest erotische situatie die ik in vele maanden had beleefd.

Nukkig trok ik schoon ondergoed aan en beweende ik stilletjes mijn haast zelfverkozen lot van eenzaamheid en ongebreideld verlangen naar alles wat een mooi gezicht, voorgevel, aars of benen heeft. Omdat mijn computer nog steeds stuk is, pakte ik de meterslange audiokabel van de versterker en stak hem in mijn iPhone. Ik zocht ‘Teenagerliebe’ van Die Ärzte op en luisterde het een paar keer op de rand van de bank zittend met koffie en sigaretten. Ik at een banaan. Douchen deed ik niet. Mijn vrij stringente huisbaas had namelijk van de week een briefje op het prikbord gehangen, dat hij het heel vervelend vond om ons constant te moeten herinneren aan het feit dat we de tuin hoorden te onderhouden. Daarom eiste hij, dat het onkruid gewied, het mos van de tegels geschraapt en het gras gemaaid zou worden, voor de zaterdag over was. Met een huisgenoot sprak ik af, om één uur de achtertuin onder handen te nemen. Met een schoffel schraapte ik het onkruid tussen de tegels weg en het mos er vanaf, terwijl huisgenoot Henk het gras maaide en met een snoeischaar in de weer was.

Hoewel ik al anderhalf jaar in Soest woon, ken ik hooguit de voornaam van mijn directe buren en de gezichten van de andere buurtgenoten, maar er wordt hier nauwelijks gegroet, anders dan in Woudenberg, waar ik opgroeide. Daar kun je nog niet naar de Albert Heijn fietsen of je wordt al getorpedeerd met 100 ‘hoi’s, hier kan ik de keren dat mensen teruggroeten per maand op één hand tellen. “Het is alsof”, zei ik tegen de vriend van mijn werk die gisteren langskwam en al zijn hele leven in Soest woont, “alsof de mensen wel een woonplaats delen, maar meer niet. Ik noem dat soms een ‘apartleving’, je begrijpt wel wat ik bedoel. Samen, maar toch niet samen.” Hij zei dat dat typisch Soest was. “En dan zit je hier nog in de beste buurt. Er zijn hier halve getto’s waar de politie niet eens komt. En inderdaad negeert iedereen elkaar volkomen.” Ik vertelde hem dat ik aanvankelijk mezelf de schuld gaf – ze vonden me vast een rare knul, een nieuweling in de buurt die elkaar al decennia kent. “Nee hoor. Zo is iedereen hier tegen elkaar.” Dat deprimeerde me behoorlijk, eigenlijk erger dan als ik de schuldige was geweest. Wat is er in godsnaam aan de hand met postmodern Nederland, vroeg ik me af.

Tijdens het bijeen harken van het gekortwiekte gras, mos, en wat niet al, stelde huisgenoot Henk voor naar een festival in de buurt te gaan. Omdat ik het lokale krantje Soest Nu nooit lees had ik geen weet van de gebeurtenis, maar ergens in de weilanden tussen Soest en de Eem (rivier langs het oosten van Amersfoort en Hoogland) was een enorm terrein klaargestoomd voor onder andere ringsteken op paarden. Ik had vandaag toch niets te doen behalve het lamenteren van mijn ellendig eenzame relationele sfeer, en besloot meteen ja te zeggen. Het zou op een bezoek aan het openluchttheater Cabrio na, de eerste keer zijn dat ik in Soest iets cultureels zou doen. Waarbij het begrip ‘cultuur’ nogal ruim opgerekt kan worden, moet ik zeggen, hetgeen ik nog allemaal uit de doeken zal doen.

Dus liepen we al snel door het pittoreske landschap van boerderijen heen, op weg naar de locatie van het evenement. Er was een enorme partytent met wat ik altijd ‘hoempamuziek’ pleeg te noemen. De zonovergoten lucht verraadde geenszins de drie dagen van vrijwel onophoudelijke regen die het terrein had geteisterd, maar de grond zelve deed dit wel degelijk – blubber, blubber, blubber, tot je enkels wegzakken, meer blubber. Arm, arm gras, dacht ik nog. Er was een met hekken geïmproviseerde kinderboerderij, waar kuikentjes, konijntjes, kippen en ander pluizig spul werd aangerand door geënthousiasmeerde kinderen – de aanblik ervan maakte me helemaal week. Ook waren er inderdaad paarden. Verschillende meisjes van zeer jong tot in de twintig reden op merries en hengsten en pony’s langs een parcours van vier palen met ringetjes eraan, waarbij het de bedoeling was dat zij op het hobbelende hors de ringen van drie of vier centimeter groot aan een scherpe stok regen. Henk en ik stonden bij elke ring die werd geregen, als gekken te joelen en te juichen en te klappen.

Op een gegeven moment trotseerden we opnieuw de drassige grasvelden, om bij de partytent een biertje te gaan halen. De hoempamuziek was daadwerkelijk hoempa toen “we zingen hoempa, hoempa, hoempa, tu-tu-duuu, tu-tu-duuu, tu-tu-duu, we zingen jalala-lalala-lalalaaaa” werd ingezet. Ook “Als ik boven op de Dom sta” en “Girl” van Anouk werden ten gehore gebracht terwijl wij consumptiebonnen kochten en de tent van binnen bezagen. Terwijl Henk nog stond te praten met iemand van de bonnenverkoop, viel mij op dat er buitensporig veel goedgemutste jongeren liepen die helemaal onder de modder zaten. Ook een aantal meisjes was op die manier ontsierd, hoewel de als latex om hun lichaam gevormde natte kleding alles goedmaakte. Ik vroeg mij ten zeerste af waar het spektakel plaatsvond, waar deze jongeren blijkbaar rollebollend door de modder lol hadden gehad.

Naar de bar lopend met mijn consumptiebonnen stevig in mijn hand geklemd, zag ik plots een fantastisch meisje voorbij lopen – sluiks, nat haar dat langs haar schouders op haar blote, met bruine moddervegen getooide rug viel, en een naar ik aanneem mooi gezichtje, dat ik helaas geen aandacht schonk om een geldige reden; namelijk, dat ze haar gebronsde engelenfiguurtje in een zeer kort jurkje had gestoken, dat niet alleen nét boven haar borsten uitkwam, maar ook nét boven de rand van haar billen. Dus keek ik, met die bonnen in de hand, naar de voorbijlopende billen, mooiere billen dan ik in tijden in het echt had gezien, was het maanden of jaren, ik wist het niet. Als ze een stap zette, woei het jurkje iets omhoog, waardoor ik vrijwel haar hele kont – prachtig rond, niet te omschrijven, u had erbij moeten zijn – kon aanschouwen. In 3D, niet in een droom, ik wist dat ik niet als in Inception (zag ik deze week, fantastische film!) zo meteen wakker zou worden, en ook met het oog op mijn enerzijds eenzame, maar anderzijds bijzonder opwindende nacht en ochtend was ik volledig uit het veld geslagen.

Als ich sie das erste Mal
Auf dem Schulhof sah,
War's um mich gescheh'n,
Denn sie war so wunderschön.
Ich stand da ganz allein,
Und ich mußt sie dauernd anstarr'n.
Es war um mich gescheh'n,
Denn sie war so wunder-wunderschön.


Gemesmeriseerd (sorry, anglicisme) liep ik tussen de honderden mensen in de tent door, achter die billen aan. Ik vergat Henk welhaast. Toen het meisje halt hield bij een groepje jongens, keek ik met een laatste melancholieke blik naar hoe zij met haar linkerhand aan haar kont krabde, oh god die kont, en probeerde Henk te lokaliseren. Al snel zag ik hem. “Henk! Henk, kom gauw!” Hij snelde naar me toe. Ik hoefde niet eens iets te zeggen, maar wees naar de kont. “Zó, zeg,” zei Henk, “zó!” “En wij kwamen even paardjes kijken. Krijg je dit voor je kiezen!” wierp ik hem terug. We haalden snel bier, maar konden het meisje daarna niet meer vinden. “Ik moet zeggen, Henk,” zei ik met het bier in mijn hand, “dat ik opeens een vrij grote aandrang voel om erachter te komen waar dat modderfestijn  precies is.” We keken om ons heen maar konden het niet vinden. Aan een vent in klederdracht, met een hoed met een grote veer op z’n kop, vroegen we “waar die geile modderbende” zich bevond. “Ja, uit de tent, dan zie je het vanzelf.”

We liepen de tent uit en zagen het vanzelf. “Doet me denken aan die ellendige spelletjes op de basisschool, met Koninginnedag”, zei ik tegen Henk. “Koninginnedag meets adulthood.” Daar was geen woord van gelogen. Een twaalftal verschillende spellen, vrijwel allemaal met minstens één groot bemodderd luchtkussen, waren langs een drekkerig pad opgetrokken. Een enthousiaste omroeper was druk aan het beoordelen bij elk afzonderlijk spel, tussen de gewone bezoekers liepen honderden jongeren in groepjes rond, jongens, maar ook meisjes, die het parcours van spel 1 tot 12 in een soort wedstrijdachtige setting  doorliepen. Een paar groepen meisjes – een stuk of tien per groep – hadden van die polyester, glimmende zwarte leggings aan, waarin elke millimeter van de vormen eronder heerlijk zichtbaar was. De meesten hadden niet eens de moeite genomen er nog een lang shirt of jurkje overheen te trekken, waardoor we constant werden geconfronteerd met jonge, gewillig uitziende meisjes in hun nietsverhullende outfitjes met pront vooruitstekende tepels en schuddende billen.

“Ze zouden deze kleren verplicht moeten stellen,” merkte ik tegen een lachende, maar gefascineerde Henk op. De één was nog mooier en schaarsgekleder, dan de ander. Ook de meisjes die een buikje hadden, of een rol hier en daar, die ontzettend knap waren maar niet aan het van boven opgelegde ideaalbeeld voldeden, hadden strakke, natte, modderige kleding aan en tegelijk de tijd van hun leven. Helaas hadden we klaarblijkelijk te lang bij de paarden gestaan, want de laatste groepen kwamen inmiddels aan bod – jongens, helaas. We sjokten, ook met het geluid ervan, sjok-sjok-slurp door de modder terug, terwijl groepen jongeren om ons heen alle nog niet helemaal bemodderde meisjes tegen de grond wierpen in een opwindend schouwspel van worstelingen.

Oh ich liebe liebe liebe sie,
Ich träum' von ihr den ganzen Tag
Und die ganze Nacht
Und ich wünschte ich könnte ständig,
Ewig bei ihr sein.
Sie ist das Mädchen,
Daß man nur einmal im Leben trifft.
Ich bin verrückt nach ihr!


Net toen ik wegdromend starend naar haar achterwerk, een meisje met zo’n zwarte panty en een heerlijke kont uit de blubber zag opkrabbelen, wierp een jongen een vriendin van haar nét iets te hard tegen de grond. Ze kwam ongelukkig terecht met haar hoofd en riep al meteen ‘au au au au au au au’, steeds harder, ze probeerde overeind te komen maar zakte direct weer ineen. Een seconde of vijftien – het kan ook langer of korter zijn geweest – bekeken we het meisje verbaasd, we stonden er hooguit twee meter naast, waarna we om ons heen keken, niemand deed iets, iedereen was gestopt met lopen en keek maar zo’n beetje schaapachtig. Henk rende opeens hard weg, de verlokkingen en de aanzuigende modder trotserend, naar de EHBO-post, waar ik tot mijn verbazing een andere knul op een brancard zag, die in aluminiumfolie was gewikkeld. Een aantal geüniformeerde EHBO’ers snelde meteen naar het meisje, een halve hectometer verderop.

Al dit plezier had dus ook zijn keerzijde, merkte Henk op. Toen we weer bij de paardenrennen kwamen, zagen we iets wat ik zou kunnen omschrijven, maar liever laat zien door mijn iFilmpje te uploaden. In Texaanse vlag-pakjes gestoken waaghalzen die capriolen op galopperende paarden uithaalden, waar de jongens uit Jackass van zouden kunnen dromen. Fantastisch gezicht. Toen onze schoenen en broeken ook beblubberd waren, en onze bonnen op, liepen we weer terug naar huis – hij moest een nieuwe broek kopen, ik schootbapjes bij de C1000. Ik vroeg hem of “wij in het huidige tijdsgewricht, in de Westerse samenleving, of nou ja, ik bedoel Westers-locaal, Soest en omstreken, Nederland en omstreken zo je wil,” of wij niet in toenemende mate, júist door onze collectieve individualisering, niet onze carnale lusten, “onze holbewonersmentaliteit”, toonden in dit soort dingen – gekke hobby’s, verre gevaarlijke vakanties, gezellige evenementen, grootscheepse festivals, om toch een soort ‘gemeenschapsgevoel’ te krijgen. “Heb je in een paar weken psychologie gestudeerd joh,” vroeg Henk, maar ik ontkende dat ik daar ook maar iets vanaf wist. Ik denk er gewoon over na.

En de vraag blijft staan. Hoe zit het nou? Kip of ei? Was Soest altijd al zo’n onaardig, ongeïnteresseerd gat, of is het zo geworden, en hoe zit het met andere woonplaatsen, regio’s en landen, waarom voel ik me hier zo alleen, of is dat weer mijn eigen schuld, moet ik zelf meer actie ondernemen en de Soest Nu lezen en proberen aanhang te vinden, in plaats van lijdzaam toezien hoe eenieder z’n eigen leventje leidt – ligt het aan de PVV, aan de Amerikanen, aan ons voedsel, aan onszelf, dat we als samenleving zo worden? Zo… banaal basaal. Niet alleen op locaal samenleef-vlak, maar overal, in hoe we tegen de wereld aankijken, tegen de politiek, media, vreemdelingen, kop-boven-maaiveld-figuren, alles. Goed-slecht, wit-zwart, week in week uit werken-eten-tv-slapen-werken-eten-tv-slapen, tot een evenement je op een paard doet staan, je door de modder rollend laat worstelen met droommeisjes, en eindelijk een beetje de band van een gedeelde woonplaats schept, die je in je gewone leven nalaat te ambiëren.

Maar goed. Zo ben je maandenlang door geen vrouw aangeraakt en haast aseksueel door het leven gegaan, zo ontvouwt zich soms plots ook een dag als deze, waarin je meer vrouwelijk schoon – in het echt en in droombeelden – ziet, dan in al die maanden tevoren tezamen. Met een moreel staartje aan het einde, om het gevoel dat u 2600 woorden voor niks hebt zitten lezen, wat te verzachten. Tot volgende week, hopelijk met een Berlijn-column, maar volledig afhankelijk van of ik mijn computer (met de filmpjes, foto’s en onafgeschreven verhalen erop) terugkrijg. O, en natuurlijk een liedje; dé winnaar van de ‘welke countryzanger heeft de vreemdste coke-kaak’-wedstrijd met een tekst die tijdens het schrijven een paar keer in me opkwam.


George Jones – The Race Is On (And It Looks Like Heartaches) (1965)
Songteksten: Die Ärzte – Teenagerliebe (1983, ’84, ’85, ‘89)