Heimwee

De tuin is kaal. Vrouwlief heeft hem op een woensdag winterklaar gemaakt. Woensdag is een dag dat ik naar mijn nieuwe werkplek ga. Met de stinkende streekbus. Ik ga in het donker van huis en kom in het donker ook weer terug. Op sommige dagen leef ik als een mol.
Nu is het licht. Mijn grijze lange haren wapperen om mij heen in de herfstwind. De lijsterbes heeft al zijn blad verloren. Geen schaduw meer in de tuin. Dat geeft niks, want met deze kou is iedere minuut zon mooi meegenomen. Op eerdere dagen had hij zich verstopt achter de grijze wolkendeken. Ik ril van de kou, maar ik wil toch ook nog even in de achtertuin blijven. Aandachtig kijk ik om mij heen.
De terrasstoelen zijn veilig opgeborgen onder de carport aan de voorkant van ons huis. Er ligt blad op ons gazonnetje. Gelukkig heb ik geen bladblazer. Je harkt de bladeren bij elkaar en veegt ze onder de struiken. Dat is een prima bescherming tegen de vorst en het wordt goede humus. Het mos op de grindtegels is geel. Het sterft af. De passiebloem is al haar passie kwijt. De potten met kruiden staan er wat armetierig bij. Alleen de laurier doet het nog goed. De wind doet mijn ogen tranen.

Hoog in de lucht de witte sporen van een vliegtuig. Ik volg ze met mijn ogen. De vage strepen worden steeds smaller en scherper. Daar, daar is het vliegtuig. Het glimt in het zonlicht.
Er zit een merel boven in de boom. Hij zingt. Het is een hij. Zijn gele snavel steekt fel af bij zijn donkerbruine, bijna zwarte verenkleed. Het lied dat hij zingt is vrolijk. Je wordt er toch wel eens gek van. Ben je zelf in een melancholieke herfststemming, komt die fuckvogel met zijn jolige gefluit. Soms is het maar goed dat ik geen luchtbuks heb.

Toch ook verbazingwekkend hoeveel leven er om je heen is, zo met de winter in aantocht. De merel in de boom, de kat van de buren tussen de struiken, de naaktslak op de grindtegel, de spin in zijn web.
Hoog in de lucht vliegt een vogel. Een gierzwaluw, weet ik. Die komt zelden of nooit op de grond of in een boom. Hij brengt zijn leven door in de lucht. Zelfs slapen doet hij al vliegend.
Dat ik weet dat het een gierzwaluw is, komt door Gerrit. Die weet alles van vogels. Gerrit is zelf een rare vogel. Ik schreef wel eens over hem. Over zijn parate kennis en zijn fantastische lol. Ik mis hem soms. Tjonge, en ik wás al melancholisch. Hoeveel platen van David Sylvian heb ik eigenlijk?

Een flashback. Allemensen, wat is het druk op het Willemsplein. Overal rennen en lopen mensen van en naar bussen en winkels. Het wordt al donker. De honderden kauwtjes in de bomen midden op het plein. Ze krijsen, gillen en vliegen bij vlagen op om even later weer neer te dalen in de hoge toppen. Onheilspellend. 'Birds' van Alfred Hitchcock.
De zon schijnt ergens. Toch regent het ragfijne druppeltjes. Het lijkt niets, maar als je er doorheen loopt word je zeiknat. Donkere wolken. Aan de horizon komen de zonnestralen onder het wolkendek gepiept. Het geeft de lucht een dreigend karakter. Ik duw mijn handen nog wat dieper in de zakken van mijn jas. Ik haal mijn schouders op en duik in de kraag en mijn sjaal.
Iets verderop staan een jongen en een meisje tegen elkaar aan. Ondanks de koude kijken ze gelukkig. Het meisje heeft mooie rode wangetjes. Ik wil ook een meisje tegen mij aan. Een meisje dat mij warm houdt en dat mij met haar mooie rode wangetjes doet beseffen dat er goede tijden op komst zijn.
Ik draai me van ze weg. De aanblik maakt me boos, leeg, verdrietig, koud. Het wachten op de stinkende streekbus duurt een eeuwigheid. Hoe lang mag een flashback duren?

Koning Winter. Kan iemand een aanslag op hem plegen? Ik wil zijn regime niet. Voor mij geen bloemen op de ruiten, rijp op de takken en bevroren adem in de lucht. Toen ik achttien was, heb ik mijn schaatsen verkocht aan onze toenmalige achterbuurjongen. Sindsdien heb ik niet meer op het ijs gestaan en dat wil ik graag zo houden. Ik begrijp de nostalgie niet van de strenge winters van weleer. Ook ik heb als kind veel met de slee gespeeld; de sensatie van de glijvlucht vanaf de heuvels in het Orderbos staat in mijn geheugen gegrift. In mijn familie waart nog altijd het verhaal rond dat ik als zesjarig jochie voor het eerst schaatsen ondergebonden kreeg en met de handjes op de rug wegreed. Het jaar van de grote sneeuwval en ijzel; dat we konden schaatsen op straat en in het Orderbos van de heuvel af.
Maar dat was vroeger. Nu is nu. Koester je herinneringen als je wilt, maar val mij er niet mee lastig. Geen kou voor mij. Ik ben op zoek naar warmte in het Leven.
Hoe is mijn eigen ouwe flauwe grap ook weer? Eskimo's kennen wel twaalf verschillende woorden voor 'sneeuw'; wij hebben maar één woord voor 'kutweer'. Het enige mooie aan sneeuw is als er veel van ligt. Dan rijdt de stinkende streekbus niet en kan ik niet naar mijn nieuwe werkplek.

De bloempotten staan gestapeld in een hoek van de tuin, naast het hek tegen de schutting aan. Ik verlang naar de tomaatjes uit eigen tuin. En de pepers, paprika's en komkommertjes. De doffe geur van zompig zomergroen. De bruidssluier in de lijsterbes. De keukendeur die de hele dag open staat. Braziliaanse muziek over het terras. Mijn voeten op het krukje. Geen kleren aan mijn lijf, alleen mijn eeuwige sportbroekje. Vrouwlief die een boek leest onder de boom. De witpaarse passiebloemenpracht. Een flesje bier. De parasol. De zondagbrunch aan de terrastafel. Het geluid van kinderen die spelen in het opblaasbadje, een paar huizen verderop. Weekendkranten op schoot. Een dutje in de zon. De kruiden in de potten die bloemen krijgen. Het rode licht van de avondzon. De vleermuisjes die in de tuin rondfladderen als het schemert.

Meer nog verlang ik soms naar de aanblik van de mooie vrouwen in schaarse zomerse kledij. Al die rondingen brengen het beestachtige in mij naar boven. Wat is de verleiding toch groot. Toch geef ik er nooit aan toe, want ik heb een Vrouwlief. Samen hebben we alles wat ons hartje begeert. Wij tegen de rest van de wereld. Die gedachte maakt veel goed. Ik kijk de kale tuin nog eens rond. Ondanks de kou heb ik het warm.


Apeldoorn, december 2009