Open brief aan Onze Jongens

Beste Onze Jongens (en Meisjes natuurlijk),

Eigenlijk was ik het alweer een beetje vergeten, dat jullie daar nog steeds zitten. Het ligt ook niet naast de deur, hŤ, Afghanistan. De meesten van ons komen daar niet alle dagen. Maar in de krant en op de televisie hebben ze het nou steeds over die twee die dood zijn, en toen herinnerde ik het me weer: Onze Jongens (en Meisjes natuurlijk) zitten nog steeds in de woestijn. Of zijn het bergen? Misschien moeten we zeggen: in het moeras.
Ik ben er nooit geweest, in Afghanistan. Is het mooi daar? Ach nee, dat weten jullie natuurlijk ook niet. Jullie hangen vooral rond in Kamp Holland. Dat heb ik gezien op tv. Hopelijk doet de airco het goed. Het is warm, hŤ, in Afghanistan. En ’s nachts weer koud, naar het schijnt. Tjonge.

Hebben jullie wel eens gehoord van Muhammad Ali? Dat is een beroemde bokser van vroeger, en die kon heel goed vechten. Het leger wilde hem naar Vietnam sturen, maar Ali ging niet. Ali zei: ‘No Vietnamese ever called me a nigger.’ Echt waar. Geen Vietnamees had hem iets misdaan, dus zag hij ook geen reden om op die mannetjes te gaan schieten. Dat vond ik mooi gezegd. Het klinkt heel simpel, maar toch ook weer niet. Laatst dacht ik aan die Ali en toen kwam er een heel eenvoudige vraag bij mij op. Zal ik zeggen welke? Goed dan. Deze: wat hebben de Afghanen ons eigenlijk ooit misdaan? Zijn jullie door een Afghaan ooit nikker genoemd?

Jullie werken voor defensie. Zal ik eens vertellen wat ‘defensie’ eigenlijk betekent? Is er iemand van jullie die het al weet? Zie ik iemand zijn vinger opsteken? Ik zal het verklappen. ‘Defensie’ betekent verdediging. Als Ajax aanvalt, dan heeft de defensie van Feyenoord het druk. En andersom, natuurlijk. Daarom is het goed dat jullie er zijn: je weet maar nooit wie ons zal aanvallen. Als de Duitsers nog een keer binnen willen komen, kunnen jullie ze misschien wťl tegenhouden. Hup Holland! Mooi man, defensie.

Maar nu even terug naar de Afghanen. Stonden die op het punt Nederland te bezetten? Daar heb ik niets over gelezen. Hadden jullie er last van, van die Afghanen? Zeg eens eerlijk? De mannen sjokken in de bergen achter hun geiten aan, en de vrouwen lopen over straat in een tent met een gaasje voor hun ogen. Laat ze. In Staphorst mag het ook.

Sommige mensen zeggen dat jullie daar zitten om scholen en ziekenhuizen te bouwen. Dat is echt cool, man, scholen en ziekenhuizen bouwen. Maar als dat het doel van de reis was, waarom zit Kamp Holland dan niet vol met bouwvakkers? Waarom zijn jullie niet gewoon in de bouw gaan werken, als jullie zo graag metselen en met stenen sjouwen?
In een reclamespotje, ik geloof van de landmacht, hoorde ik een keer zeggen: ‘Als Afghanistan veiliger wordt, wordt de wereld veiliger.’ Of zoiets. Het klonk alsof jullie voor de laffe thuisblijvers de kastanjes uit het vuur halen. Maar zijn er bij ons geen kastanjes genoeg? Was er eigenlijk wel vuur? En zo ja, wie stak het aan? Het zijn natuurlijk geen frisse jongens, die taliban. Maar er zijn heel veel landen waar niet zo frisse jongens de lakens uitdelen. Waarom doen jullie daar niks aan? Waarom is Afghanistan opeens zo belangrijk? En als er iemand tegen de taliban moet vechten, waarom dan die Afghanen zelf niet?

Mijn zusje werkt voor Artsen zonder Grenzen. Da’s ook mooi werk. Overal waar die komt, zijn de mensen blij. Zij heeft nog nooit een bermbom gezien of er een horen afgaan. Nu zullen jullie misschien denken: wat hebben wij met jouw zus te maken? Niks, mag ik hopen. Ik wilde maar zeggen: als jullie mensen willen helpen, waarom dan niet ook eens in Afrika? Waarom weer gaan zitten roeren in dat broeierige kruitvat? Zou het misschien kunnen dat het ook iets met olie te maken heeft? Of dat jullie daar zijn om de Amerikanen wat onder de kin te kietelen? Dat zijn anders ook geen frisse jongens, hoor.

Ik zal eerlijk zijn: zelf weet ik ook niet precies hoe het in elkaar steekt. Waarom al die militairen in Irak en Afghanistan zitten. De een zegt dit, de ander dat. Wie moet je dan geloven? Vaak komt de echte reden voor een oorlog pas aan het licht als-ie al jaren is afgelopen. De aap die dan uit de mouw komt! Altijd een lelijk beest. Altijd net even anders dan ze op tv gezegd hadden. En daar hebben jullie dan voor gevochten. Krijg je een onderscheiding, maar ben je wel je been kwijt! Zoiets noem ik geen goede ruil. Mij lijkt het trouwens verschrikkelijk saai, vechten. Vermoeiend, man. Hoop gedoe. En nog gevaarlijk ook. Dat blijkt wel weer.

Ik vermoed dat jullie het laf vinden, zo’n bermbom. Rij je daar net lekker in je tank rond, niemand te zien, en dan opeens: boem! Probeer dan te onthouden dat jullie hun land zijn binnengevallen. Da’s niet echt beleefd, hŤ? Als je op die manier naar een bermbom bekijkt, dan is het eigenlijk helemaal niet laf. Dan is het gewoon, hoe zal ik het zeggen, ja, eigenlijk is dŠt nou defensie. In de Tweede Wereldoorlog zouden we het ‘verzet’ genoemd hebben. Alle middelen geoorloofd. Wij hadden die Duitsers niks gedaan en toch stonden ze opeens met hun lompe laarzen hier op de stoep. Ja, nou ik er zo over nadenk, eigenlijk zijn jullie ook een soort van Duitsers. Geef onze fietsen terug!

Het is wel erg, hoor, van die twee jongens die nou dood zijn. Maar vinden jullie het goed als ik het net iets erger vind wanneer er iemand van Artsen zonder Grenzen doodgaat? En is het niet zo dat het eigenlijk net zo erg is wanneer jullie een Afghaan afschieten? Ik weet zeker dat jullie dat snappen als jullie er even goed over nadenken. Een brandweerman moet tegen vuur kunnen, een dokter tegen bloed, een bokser tegen klappen. Risico’s van het vak, weet je wel. Wie kaatst enz. Doe dat maar eens, goed nadenken. Jullie hebben daar toch tijd zat.

Nou jongens (en meisjes natuurlijk), ik ga ermee stoppen. Het is fijn buiten, het wordt lente hier. Ik heb een muziekje opstaan en eet een lekker broodje. Misschien vanmiddag een partijtje schaken in het park met een biertje erbij, en dan vanavond naar de film. Dat moeten die twee jongens voortaan allemaal missen, zulke dingen. Zonde, hoor. Doodzonde. Maar – en dat wou ik even kwijt – ook wel een beetje hun eigen schuld. Toch? Als ik jullie was, ging ik lekker naar huis. Het is hier goed en nergens een Afghaan te zien.

Degenen die blijven, die wens ik veel sterkte. Denk aan Emile Ratelband als het even moeilijk wordt. Die was toch laatst bij jullie op bezoek? Hij heeft vast en zeker uitgelegd hoe je zware tijden doorstaat. Als je maar wilt, lukt alles. Zelfs over hete kolen lopen en je makkers in een lijkenzak schuiven. Wat er ook gebeurt: altijd blijven lachen. Doen wij hier ook. Tsjakkaaaaaaa!