Winterverhalen deel 3



Wat vooraf ging:

Winterverhalen 2


"Mijn moeder was natuurlijk helemaal over de zeik. Ze had het hele dorp afgezocht en daarbij zo moe geworden van alle stress, dat ze die nacht niet meer bij zinnen was om pa op te sporen. Toen papa in de vroege ochtend bijkwam, is-ie naar huis gekrópen, want hij kon amper meer op z'n benen staan. Heel zijn knieën waren kapot toen hij uiteindelijk ons huis had bereikt! Het was werkelijk verschrikkelijk om hem zo in de ochtend aan te treffen in z'n stoel."
"Z'n stoel? Ik bedoel: hij heeft jullie niet eerst wakker gemaakt met de mededeling nog in leven te zijn?"
"Ik heb geen idee. Hij ook niet trouwens. De arme man weet niet eens precies hoe hij naar huis is gekomen. We hebben hem heel vroeg in de ochtend in zijn favoriete stoel aangetroffen. Doodmoe en gebroken. Hij sloeg alleen nog maar wartaal uit. Alles haalde die ouwe erbij. Zijn overleden moeder en vader, de kegelclub, tijdstippen van tv-programma's waar hij altijd naar keek..."
"Kortom, het leek wel een psychose?"
"Dat is wel het eerste waar we dachten, inderdaad. Maar toen zagen we duidelijk zijn verwondingen aan z'n hoofd. Meteen de dokter gebeld natuurlijk..."

Ze zuchtte eens diep. Dat deed ze mooi. Droevig, maar mooi. Ik had inmiddels mijn hele rechterhand in het kussen verstopt en het knijpen in de plooien had inmiddels plaats gemaakt voor een dikke vuist die ritmisch, maar zo zacht zodat ze het niet zou merken, in het stof sloeg. Ziek word ik van zinloos geweld. Let wel, geweld dat dus écht zinloos is. Ik ben nog steeds van mening dat als iemand om een goed pak slaag krijgt, deze ook moet krijgen. En dan geen kleine mepjes, maar ferme klappen. Er zijn teveel mensen op aarde die waarlijk vragen om klappen, maar deze steeds weer weten te ontwijken. Vuil volk dat achter je rug om allerlei onzin verkoopt en daarmee je leven totaal kan verwoesten. Het zijn de NSB'ers van morgen, dat krapuul! Meestal te vinden in smoezelige huisjes in kleine dorpjes, niet veel groter dan vier straten en één slechtlopende buurtsuper. Ze hebben 's avonds altijd de tv aanstaan en lezen geen boek of krant. De loterij is hun enige spanning binnen een week. Het verliezen van de loterij is het grootste gat waarin ze kunnen vallen. Om elf uur sluipen ze de huizen uit om het dorp te verkennen. Wie is er nog wakker? Welke vreemde auto staat er geparkeerd in de straat waar zich de hele week al vreemd gespuis ophoudt? Elke aanwijzing zorgt voor een oordeel en wordt meedegedeeld in de slechtlopende buurtsuper. Het ordeel wordt gewogen, besproken, uitvergroot en tenslotte verkocht aan de toog. Ik kende de dorpen, de kroegen en het gespuis maar al te goed. Ze hoefde me niks meer uit te leggen. Haar vader was slachtoffer geworden van een misverstand dat de wereld in geholpen was door een labiele ellendeling die zijn of haar hele dag slijt voor een plasma scherm. De werkelijkheid of schijnwerkelijkheid van het beeld bepaalt zijn of haar sociaal denkvermogen. Mijn hart bonkte in m'n keel. Ik voelde een enorme brok opkomen. Hoe laat was het eigenlijk?

"Luister je eigenlijk nog wel?"
"Sorry. Natuurlijk. Ik ben er nog. Maar het begint een beetje slaapverwekkend te worden, allemaal. Zou je niet eens kunnen zeggen wat nou precies de toedracht was waarom je pa in elkaar is geslagen?"
Ik had meteen alweer spijt van deze zin. Mijn koelheid verandert me nog eens in een levende ijspegel. Het is enkel een schild, dat weet ik ook wel. Maar moet ik alles dan maar toelaten? Hoeveel sloten moet ik nog inlopen eer ik alle naviteit van me heb afgewassen? Ik kreeg trek in bier. Zoals wel vaker.
"Later, toen we alle verhalen van pap hadden gehoord en we een aantal dorpsgenoten zo ver kregen om eens te gaan informeren naar wat er precies was gebeurd die avond in de kroeg, begon het eindelijk wat duidelijker te worden. Iemand had schijnbaar het gerucht verspreid dat..."
Er kwam een zee aan zout water uit haar prachtige staalblauwe ogen. Het traanvocht stroomde over haar hele lichaam heen. Werkelijk, ik deed mijn uiterste best om mijn absolute koelte te doen doorbreken, maar het enige wat ik nog kon doen was wegkijken.

Ik dacht aan mezelf tijdens de zomer van 1985. Ik belde bij mijn beste vriendje aan met een pasgekochte voetbal onder mijn armpjes geklemd. Hij zag door het raam dat ik het was, maar deed de deur niet open. De dagen erna negeerde hij me volkomen op school. De rest van de kinderen trouwens ook, maar dat kon me weinig schelen. Ik begreep maar niet waarom mijn beste vriendje me liet zitten. Het leek wel of de kinderen me nu weer kwamen opzoeken. Hoorde ik ze daar beneden, bij dit nog redelijk onbekende meisje, aan het raam staan lachen? Ik voelde dat ze hard in mijn arm kneep. De droom was over. Ik voelde drie heftige rillingen over m'n rug gieren.

"Iemand heeft gezegd dat mijn pa op een avond na zijn wekelijkse café bezoek een brood had gestolen achterom bij de bakker. Elke dag worden daar verse broodjes neergelegd door een groothandel. Pap heeft bij hoog en laag gezworen dat dit de grootste onzin was en waarom zou ik hem niet geloven? En dat verhaal van het gejatte brood werd erger en erger. Ze hebben hem voor werkelijk van alles weten te beschuldigen! Uiteindelijk heeft iemand ervan gemaakt dat pap elke avond op strooptocht zou zijn. Nu waren er indertijd veel inbraken in ons dorp, maar van geen enkele is mijn vader daar schuldig aan! Waarom zou hij ook?"
Ze stortte zich op bed en propte een stuk deken in haar mond om door haar hard gejank niet teveel mensen wakker te maken. Ik was nog steeds als de dood dat iemand de kamer nu binnen zou komen en dan had ik een hoop uit te leggen. Ik raakte haar kort aan, maar trok mijn hand snel terug. Ik wist niks meer te zeggen.
"De maanden daarna waren een regelrechte hel. We werden nagewezen op straat en zo. Het was op een gegeven moment zelfs zo erg, dat er met eten naar ons huis gegooid werd. Mijn ex-vriendje maakte het toen zelfs met me uit omdat-ie de rest van het dorp geloofde, de vuile klootzak. Dat is nu zo'n twee maanden geleden. Het is sindsdien de eerste keer dat ik weer iets voor iemand voel, maar ik ben zo bang het weer kwijt te raken."

Ze wilde me omhelzen en ik liet het maar even toe. Ik werd er wel wat misselijk van. Door haar hevige snikken door probeerde ik wat te zeggen. Maar mijn keel was zo grof als schuurpapier. Ik verzamelde al mijn speeksel in m'n gehemelte, tilde haar hoofdje op en vroeg haar: "Lieverd... heb jij iets scherps in huis? En dan bedoel ik geen sambal of zo. Of heb je misschien iets hards in de buurt? Een plank wellicht?"
"Ik heb jaren honkbal gespeeld... bedoel je zoiets?"

Wordt vervolgd...