Brandende hoer

De ontdekking van de hut was geen kleine gebeurtenis. Dat het ding er was kon je met gemak een wereldschokkend feit noemen. Uitgegraven en met takken bedekt was de kuil meer dan alleen een hut in het bos, het was een symbool van de suprematie van de grote jongens. De groepen die elkaar met geweld bestreden. En wij? Wij waren los van alle vetes en oorlogen die er in het kleine stukje bos tussen mijn huis en de school werden uitgevochten. Wij waren vrij. Zonder vriendjes hadden wij een pact van eenzamen gesloten.

Met z'n drieŽn waren we tot elkaar veroordeeld. Tom was te klein om mee te tellen in het geweld wat er bij ons op school aan de orde van de dag was. Peter had een bril, en was te dik. Meer zeggen is niet nodig. En ik? Ik was een dromer, misschien te ongrijpbaar voor de jongens die het voor het zeggen hadden. Geweld en woorden hadden geen vat op me. Wij drieŽn waren outcasts, thuislozen. Ons pact bestond uit vriendschap, onze club uit begrip. We hadden een kleinnood en regels. Onze totem was een metalen dolk, die ik ooit uit het huis van mijn opa had gestolen. Hij stond zogenaamd voor onze broederschap, maar was even betekenisloos als scherp.

Op een dag, na school, bezocht ik de hut. Alleen Sanne was er. Ik snapte niet wat ze er nog deed, na schooltijd.
"Hey, je weet dat je hier niet mag komen. Dit is het terrein van Bas, en de zijnen." Sanne keek droevig toen ze het zei. Ze keek altijd droevig.
"Als jij het aan niemand vertelt, doe ik het ook niet." Ik probeerde in te spelen op haar gevoel van saamhorigheid. Ze was vaak alleen, maar loste dat op door het 'te doen' met de baas van de grote jongens. Ik wist niet eens wat dat inhield, maar er was me verteld dat dat niet niks was.
"Je weet dat je klappen krijgt als je hier wordt gesnapt he?"
"Ach, ik krijg zo vaak klappen, het interesseert me niet." Quasi stoer keek ik haar aan. "Wat doe jij hier eigenlijk?"
"Ik kom hier vaak na school. Ik slaap hier zelfs soms, in het diepe gedeelte is het donker en koel. Het is zo rustig in het bos." Sanne had een zweem van geluk over haar gezicht toen ze het zei.
"Moet jij niet naar huis dan?" Mijn moeder zat te wachten met thee, en een koekje. Een overdreven ritueel waar ik liever niet aan mee deed. Mijn jongere broertje vond dat belangrijk, ik dwaalde liever door het bos, of de straten van het dorp.
"Nee, thuis is het eh ... " ze twijfelde. Haar wanhopige blik vertelde me al genoeg. Mijn vriendje Peter zat ook liever bij mij dan dat hij thuis was.
"Laat maar. Je ouders hebben zeker vaak ruzie?"
Ze zei niks. Ik wist niet zo goed wat ik moest zeggen, en speelde met stukje hout wat op de grond lag. Bij wijze van grap deed ik of het een sigaar was. Sanne veerde op.
"Zullen we een sigaret roken," ze zocht in de wand van de hut waar uitsparingen waren die vol zaten met geheime dingen, "ik weet dat er hier ergens een heel pakje ligt. Bas heeft die gestolen van zijn moeder." Ze dook verder in het diepe gedeelte van de hut, daar waar hij helemaal onder de grond ging. Het was een brede gang waar je ternauwernood alleen in kon. Achteruit kroop ze terug met een sigaret en een doosje lucifers. Samen rookten we. Ik moest er even van hoesten. Het smaakte vies en scherp. Na een paar trekjes wende het, al werd ik er wel een beetje duizelig van.
"Ik vind roken fijn, mijn pa rookt ook een heleboel. Later ga ik net zo veel roken." Ik zei maar wat. Mijn maag deed raar en ik was een beetje duizelig.
"Ze zeggen dat je er geil van wordt." Sanne keek me aan, en moest een beetje lachen toen ze zag dat ik geen idee had waar ze het over had. "Je weet niet wat geil is!" Ik voelde me stom.
"Jawel man, dat is als je aan een kutje zit." Het bloed steeg me naar de oren, ik had het warm.
"Wil je mijn kutje eens voelen," vroeg ze me. Ze knoopte haar broek los en pakte mijn hand. Het was warm tussen haar benen. Er zat wat haar. Ze kreunde overdreven en trok me op zich. Ik raakte in paniek en worstelde me los.
"Ehm ... ik moet naar huis, mijn moeder zit op me te wachten." Snel verliet ik de hut. Het vuur in mijn kruis brandde hevig en de emoties overspoelden me als een golf van onbegrip.

De volgende dag op school wist ik niet zo goed waar ik moest kijken. Het was alsof ik Sanne overal zag. Tijdens de eerste twee uur waren mijn gedachten overal, behalve bij de les. Overal maar vooral bij het kutje van Sanne. Zelfs het feit dat ik de dolk miste deerde me niet zo. De pauze kwam steeds dichter bij, en ik maakte me zorgen. Alsof iedereen wist wat er gebeurd was, gisteren in het bos. Gelukkig hoefde ik me daar geen zorgen om te maken. Bas, de eigenaar van de hut, de leider van het groepje, was er achter gekomen dat ik de hut had betreden. Dat kon hij alleen maar gehoord hebben van Sanne.

Hij sloeg me in elkaar. Echt erg was dat niet, ik kreeg vaak klappen omdat ik me niet hield aan de regels die zij gemaakt hadden. En aangezien ik toch buiten de rangorde viel had ik besloten dat ik me ook niet aan het geweld zou storen. Een feit van het leven dat ik maar accepteerde. Ik wilde dat ik de dolk nog had, daar zou ik hem mee overhoop kunnen steken, om hem eens en voor altijd een lesje te leren. Maar de dolk was ik kwijt. Waarschijnlijk was hij toen ik naar huis rende gisteren uit mijn zak gevallen. Later zou ik hem nog wel gaan zoeken.

Met een bebloede neus bleef ik achter. Dat ik blauwe plekken had vond ik niet zo erg.
"Godverdomme, ze hebben je behoorlijk te pakken gehad." Tom was na het gevecht naar me toe gekomen. Hij wist heel goed dat hij weg moest blijven als er klappen vielen. Tot zo ver reikte ons pact. Broeders, maar zeker geen wapenbroeders. Laffe honden, dat waren we.
"Wraak. Het enige waar ik aan kan denken is wraak." Ik was stoer, stoerder dan de andere twee losers waar ik uit noodzaak mee op trok. "We steken hun hut in de fik!"
"Dan moeten we benzine hebben, dan gaat het zeker de hens in." Buiten praktisch was Peter ook een pyromaan. De staafjes fosfor die we uit het scheikundelokaal hadden gestolen gingen bij hem moeiteloos in een verzengende flits licht naar de andere wereld, Zijn oogjes twinkelden bij de gedachte van vuur. "Ik kan wel aan een jerrycan vol komen."

Op een donderdag, de dag dat Bas en zijn maatjes naar hockeytraining waren, sloegen we onze slag. Met grote scheuten gooide Pater de benzine over de hut. Er was veel, meer dan genoeg om dit stukje bosvlijt tot kool te reduceren. Met een doosje lucifers die ik van thuis had meegenomen stak ik de boel in lichterlaaie. De benzine begon goed te fikken. We moesten achteruit om niet teveel warmte te voelen. Plotseling hoorde ik gegil. Net voor de takken die de hut afdekten in een zee van vonken instortten, zag ik het verwrongen en verschrikte gezicht van Sanne. Stil stonden we te kijken hoe ze verbrandde.
Tom wilde haar redden, maar ik hield hem tegen. "Ze zou ons zeker verraden als ze dit overleefde." Zei ik terwijl de tranen over mijn wangen liepen. "Daarbij zou ze moeten leven met vreselijke brandwonden. Dat wil je haar toch niet aan doen?"
Tom zei niks terwijl hij weg liep.
"Die hoer heeft me verraden." Ik schreeuwde tegen zijn rug. "Niemand kon weten dat ik daar geweest was!"

Toen de smeulende hopen te betreden waren gingen Peter en ik kijken. We hadden nog nooit een verkoold lichaam gezien. Tussen de rokende hopen vonden we botten en de ring die Sanne altijd droeg. Het stonk. Peter moest kotsen. Net toen we weg wilden gaan zag ik nog iets glinsteren. Ik pakte een tak en wroette tussen de kooltjes. Het was mijn dolk. Onze totem had een vuurproef overleefd.
"Blijkbaar heeft Sanne me niet verraden." Zei ik tegen Peter.