De Opdracht

Olson James zette zijn walkman op middelzacht. Hij fixte zijn muts en sjaal zo dat er alleen een streepje van zijn ogen zichtbaar was. De wind sneed over de blote huid van zijn handen. Even van zijn stuk gebracht door het plotseling beperkte zicht en de golf van koude die hij door zijn jas heen voelde zwalkte hij. Het pakketje voor op zijn fiets zat stevig vast. Snel zijn ijskoude handen naar het stuur brengend corrigeerde hij het wankele evenwicht. Hij volgde een bocht naar links en ging weer rechtop zitten. Een moment probeerde hij zich te oriŽnteren tot hij zijn handen voelde bevriezen. Eerste prioriteit werd handschoenen.

Aan het einde van de straat naar rechts draaiend zag hij de lichtjes van het terrein. Dit was exact de foto die op zijn netvlies was gebrand toen hij wakker werd. Hij wist waar hij was, wat zijn opdracht was. Voor het eerst sinds hij gisteravond met de man in het busje stapte wist hij precies wat hij aan het doen was.

Eerder die avond had de man bij hem aangebeld met een praatje en een boek. Hij nodigde de man uit om binnen te komen en had een lang gesprek met hem. Aan het einde van het gesprek pakte hij zijn handschoenen, zijn muts en zijn sjaal, propte alles in de zakken van zijn jas en volgde de man naar het busje.

Aan de overkant van de gracht staan twee mannen in een zwart busje te kijken hoe Olson met een joint in zijn vingers zijn verhaal zit te typen. Ze zien de schaars verlichte ruimte en het door de monitor beschenen gezicht. Met een nachtkijker volgen ze precies wat Olson aan het schrijven is. Het verhaal is warrig en ze hopen dat hij zich niet nog meer herinnert.

Nu zijn handen warm zijn en hij weet waar hij is wordt Olson rustig. De lichtjes laten geen twijfel bestaan in zijn hoofd. Hij gaat die kant op. Via de rondweg, die stil is op dit uur van de nacht, rijdt hij naar de poort van het terrein. Hij kent de weg, al is hij er nog nooit geweest.

De twee mannen buiten besluiten dat het tijd wordt voor actie. Na een korte statusupdate naar hun opdrachtgever doen ze zwarte bivakmutsen en zwartleren handschoenen aan. Stil verlaten ze het busje. Ze lopen om het huizenblok heen en gaan via de achtertuinen naar de woning van Olson. Daar maken ze de deur van de keuken open met de sleutel die hun opdrachtgever hen heeft meegegeven. Er zit geen alarm op de deur, Olson zit binnen in de woonkamer.

Fanatiek typend merkt hij niet dat er naar hem gekeken wordt, niet eens dat er mannen zijn keuken binnengeslopen zijn. Het enige waar hij aan kan denken is zijn nachtelijke tocht naar het terrein. Hij fietst op het hoofdgebouw af. De brede trappen komen samen in een vlakke strook granietachtig beton. In de gloriedagen stroomde er water, nu werd het door koeriers gebruikt als drempelloos opstapje. Olson stuurde op dat deel van de trap aan.

Achter hem betreden de mannen de woonkamer. De achterste heeft een korte knuppel, de man het dichtst bij Olson een vaalblauwe lap stof. Voorzichtig, om Olson niet te storen, nadert hij hem. Olson zit zo in het verhaal dat hij niets merkt van de mannen.

Via de gewezen beek rijdt hij omhoog. Met een vaartje komt hij boven bij de ingang. Zijn wiel raakt de deur en het pakketje voor op zijn fiets lijkt open te breken. Er komt licht uit.

Achter hem steekt de man de zakdoek in zijn neus en alles wordt zwart.

Een auto stopt voor de deur. Olson wordt wakker met zijn hoofd op tafel. Als hij een beetje bij zijn positieven komt ziet hij zijn monitor en een leeg tekstbestand. Naast zijn toetsenbord ligt zijn halve joint van gisteren. Om de spinnenwebben uit zijn hoofd te krijgen steekt hij de joint aan op en gaat op de bank zitten. Hij weet wat er gaat gebeuren. Olson drinkt zijn hete thee en wacht op de bel.