Wie weet komt de slaap.
Tegensputteren deed hij niet, die visboer. Ik greep hem bij zijn kraag en trok hem half over de toonbank. Hij was al na één kopstoot bewusteloos. Toen pakte ik de fles met ravigottesaus van zijn balie en kneep die leeg over zijn kale kop. Diezelfde kop ramde ik meerdere malen tegen de sticker op de vitrine. De ruit barstte; de kop bloedde. Het viswijf was inmiddels begonnen met gillen. Ik wierp de vent terug zijn kraam in. Hij viel achterover en duwde zijn vrouw met haar suikerspin in de bak met verbrandend vet. Het zou wel even duren voor ze gaar was.
Verveeld liet hij haar begaan. Ze wilde per se zijn broek openmaken. Onhandig trok ze zijn boxer naar beneden, nam hem in haar handpalm en zei: 'Hij is nog niet helemaal stijf. Zal ik helpen? Het lijkt me geil als je me onderspuit.'
Oké dan. Jurgen piste.
Ondanks het ruime aanbod, blijft de eeuwige vraag: 'Wat zullen we vandaag eens eten?' Zoals laatst. De Vrouw stelde hem.
'Wat zullen we vandaag eens eten?'
'Geen idee.'
'Waar heb jij zin in?'
'Ik heb eigenlijk wel zin in seks.'
Morgen ben ik jarig.
Vroeger vond ik het hoogtepunt van boodschappen doen altijd het afrekenen, maar dat is veranderd. Toch kies ik nog altijd niet de kortste, maar de leukste rij, zal ik maar zeggen. Vorige week werd ik verrast door de prachtige blik in de ogen van het Marokkaanse meisje met de hoofddoek dat achter de kassa zat. Zou ze er vandaag ook zijn?
'De urogenitale buis is van nature zeer gevoelig voor prikkels van dien aard. Echter, in combinatie met een tong langs de onderzijde van de testikels, alsmede een zachte beroering van het perineum, zal je handeling meer effect hebben.'
Ik zag ook de jonge achterbuurvrouw die slaapkamer binnenkomen. Ze had haar borsten bloot en bleef even voor het raam staan kijken.
Daar was het prachtige barmeisje. Met haar handjes op haar rug stond ze bij de stamtafel. Iedere keer als ik die enorme bos zwarte krullen zag, iedere keer als ik haar ondeugende lachje op haar lippen ontdekte, iedere keer als ik in haar donkere ogen keek, dan verzoop ik, verzoop ik, verzoop ik. Dan verzoop ik in heimelijke wensen en verwachtingen die van zijn levensdagen nooit werkelijkheid zouden worden.
'Mag ik een Korenwolf van je?' vroeg ik haar dus maar. Mijn glas was leeg.
Een nieuw deel van bazbo's avonturen in Engeland.
Vandaag: Corby (deel 2c).
Met cliffhanger?
Een nieuw deel van bazbo's avonturen in Engeland.
Vandaag: London (deel 2b).
Met cliffhanger?
Een nieuw deel van bazbo's avonturen in Engeland. Vandaag: London (a)
De crisis, die moeten we toch niet onderschatten.
Het begon allemaal toen het allerleukste kassameisje van de supermarkt waar ik vaak kom een avocado van de band haalde en aan mij vroeg: 'Wat is dit?' 'Een avocado,' glimlachte ik. Toen ze me verstoord aankeek en geagiteerd vroeg: 'Een wat?', was ik in één klap voorgoed genezen van mijn zwak voor de kassabedienende medemens.
Tegenwoordig ga ik nog altijd graag de supermarkt in, maar nu haal ik mijn plezier uit de zoektocht naar mooie aanbiedingen, uit de bijzondere producten die ik toevallig tegenkom en uit het malle gedrag van mijn collegaconsumenten.
Zo ook deze zaterdagmorgen.
Stel dat Evert wél met een deugdelijk werkende sluitspier was geboren, dan hadden we nu geen verhaal gehad om te vertellen.
'Dag Bas,' begroet de stadsdichter mij. 'Mag ik Bas zeggen?' Hij schudt druppels van zijn natte jas.
'Sommige mensen noemen mij God,' antwoord ik. 'Dan zeggen ze: “God, hou toch 's op met je gezeik,” maar dan hoor ik altijd alleen maar 'God' en niet wat ze verder zeggen. Is dat erg?'
'Integendeel,' zegt de stadsdichter. 'Als je maar gezond blijft.'
'Net wat ik zeg.'
'Nietes. Ik zei het. Jij niet.'
Ik werp een blik op de kalender die aan de muur hangt. Het is nu maandag. Ik slaak een diepe zucht en sluit mijn ogen. In mijn hoofd komen de beelden terug van de afgelopen vier dagen.
'Gezellig,' zegt De Vrouw. 'Zit je een beetje naar die meid te kijken of zo? Ben je jaloers op zulk jong geluk?'
'Ik? Jaloers? Laat me niet lachen!'
'Gaan wij trouwens nog iets doen aan Valentijnsdag?'
'Dat doen we toch nooit? Dat hebben wij toch niet nodig?'
'Dat is waar.'
'Waar hadden we het over?'
'Over onze vaste lasten.'
Ik vraag me af hoe lang ik hier nu al opgesloten zit. Voor mijn gevoel is het al eeuwen, maar dat kan natuurlijk niet zo zijn. Hoe veel malen heb ik het donker zien worden? Een keer of vier kan ik mij voor de geest halen, maar misschien ben ik ook wel een aantal keren gewoon vergeten. En weer licht?
Ik wacht. Ik sluit mijn ogen en zie jou.
Hoe heb ik zo dom kunnen zijn?
Ik word wakker van Peter Gunn. 'Dada-nana-nana-DADA, pieuw pieuw, pieuw PIEUWpieuw.' Heel mooi, maar nu even niet. Ik draai me naar het nachtkastje, doe de telefoon uit en blijf liggen. Naast mij ligt Vrouwlief. Die kent haar plicht en verlaat het bed. Even later hoor ik de kraan van de douche aangaan. Ik doezel nog wat, maar schrik op van gestommel op de brandtrap. Wat is dat?
Het was weer eens razend gezellig in huize bazbo.
Worden we wakker? Of is dit een droom? Het is de harde werkelijkheid. Ik spoel hem af onder de douche. Om negen uur zijn we klaar voor het ontbijt.
In the breakfastroom treffen we onze Noorse vrienden Jan, Anne en Erik. Wat gaan jullie doen? Zij willen iets van de stad zien, zeggen ze. We kennen ze: dat zijn vooral de cafes en de wijnhuizen.
Verroest, het zit de Waarachtig Schrijver niet mee vandaag.
'Hier moet ergens een ingang zijn naar het Belvedere,' zeg ik. 'Maar waar is die ingang?' Op de kaart in mijn reisgids kan ik het niet zien. 'Volgens mij, als we hier rechts aanhouden, komen we een ingang tegen.'
Dat blijkt uiteindelijk wel te kloppen, maar ondertussen zijn we zeker twee kilometer verder de Prinz-Eugen-Strasse in en via een vals platte helling ook nog een fiks stuk omhoog gelopen.
Ik kijk van achter de zaal rond. Onze kinderen zitten netjes te luisteren. Het zal mij benieuwen hoe lang ze het volhouden. De meneer spreekt niet echt hun taal. Hij is keurig gekleed in een net pak en heeft een bril op. Zijn stem klinkt ernstig door de microfoon.
'Jullie gaan nu kijken naar een film- en diapresentatie over de geschiedenis van het dorp,' gaat de meneer verder. 'Na afloop kunnen jullie vragen stellen en die zal ik dan beantwoorden.'
Het licht gaat uit. We houden ons hart vast.
Om acht uur klinkt Peter Gunn door de hotelkamer. Ik zet de wekker op mijn telefoon uit. 'Jij moet eerst,' klinkt het naast mij. O? 'Je hebt met je gesnurk mij aardig uit mijn slaap gehaald, vandaar.' O. Had je me maar niet dronken moeten voeren met die witte wijn. Ik sta op. De douche doet het.
'Ben je zerveus?' vraag ik verder.
'Huh? Wat bedoel je?'
'Zerveus. Nenuwachtig?'
'Praat eens normaal.'
'Ken uw klassiekers,' zeg ik.
Ik ben nog niet eens in Wenen en ik loop al te huilen. Sterker nog: het is pas kwart over zeven in de ochtend en we zijn net de deur van ons eigen huis uitgelopen. De ijzige wind snijdt door mijn jas en blaast me recht in mijn smoel. Daar zijn ze: tranen over mijn koude wangen. Waar is de troost?
De prostaat van mijn opa kwam geregeld ter sprake tijdens familiefeesten. Zo ook onlangs, toen neef Theo zijn verjaardag vierde.
Het is vroeg donker. Dat is onze eigen schuld. Hadden we de klok maar niet een uur terug moeten zetten. Dat we dat gedaan hebben, is inmiddels alweer een weekje of wat geleden. Als we de klok niet een uur terug hadden gezet, zou het op dit tijdstip ook al donker zijn. Dus maakt het allemaal geen bal uit.
Ik kijk naar de setlijst die voor het grijpen op het podium ligt. Geweldig, ze gaan beginnen met de rockopera. 'De rockopera?' vraagt Peter. Jazeker, Peter. Op hun laatste album staat een heuse rockopera. Ik mocht de band van de zomer zien en horen tijdens een festival in Noordoost-Duitsland. Halverwege het optreden zeiden die jonge gastjes: 'We hebben ook een rockopera geschreven en die gaan we nu spelen.' En het was goehoed!
Het meisje kneep haar mascaraogen tot spleetjes en keek me onderzoekend aan. Met een hand streek ze door haar blonde haren, die sprieterig wat omhoog stonden. Waar kende ik haar toch van?
Start bazbo een nieuwe serie?
Ik kijk hoe hij het ritme slaat op zijn gitaar en knik het tempo mee met mijn hoofd. We hebben het thuis samen maar twee keer geoefend en nu spelen we het voor publiek. Alleen voor dit lied is hij de gastgitarist. Hij heeft zijn gitaar verbonden met mijn synthesizer. Ik laat een oscillator op zijn riff los en gooi er zo'n steeds aanzwellende en afzwakkende golf van brilliance en resonance overheen, waardoor het lijkt of hij een wah-wah-effect heeft, maar toch ook weer niet. Ik werp een blik in het publiek en zowaar, ik zie meetikkende voeten en knikkende hoofden. Dan loop ik vanachter mijn instrumenten naar voren, pak de microfoon en begin te zingen.
Het jaarlijkse Pastinakenschilfestival kon toch iedere keer weer rekenen op grote aantallen bezoekers.
Bij de containers hangt een opvallende poster. Ik zie een mooie vrouw van rond de vijfendertig op de foto. Ze heeft lang donker haar en prachtige bruine ogen. Ze kijkt in de camera en lacht. Ik vraag me af waarom. Ze heeft iets in haar hand, maar ik zie zo gauw niet wat het is. Het kan me eigenlijk niet schelen ook. 'Ik vraag aandacht voor borstkanker,' staat er naast haar hoofd. De vrouw ziet eruit alsof ze zelf al haar tieten nog heeft.
Carlo Piemol is in de disco.
Wat is de muziek hier hard!
Daar gaat je gehoor van kapot.
Een leerzaam verhaal over gehoorbeschadiging.
Geen theaterdialoog
'Hondje! Kom dan, hondje!' riep ik. Het beestje kwam naar mij toe gekwispeld.
'Hé, dat is raar,' zei ik tegen Gert. 'Normaal als ik een hondje wil aanhalen en ik roep: 'Hondje!', dan komt zo'n hondje nooit. Dat van jou komt gelijk.'
'Dat is niet raar,' zei Gert. 'Hij heet Hondje.'
Dierendag. Vandaar deze culicolumn over de kip.
Wat ben ik op mijn leeftijd nog een ontzettend geile beer, zeg!
Is ze het? Ze is het. Volgens mij wel.
Er komt een jongetje bij haar staan. De jongen is een jaar of zes.
Ik herken haar in het gezicht van de jongen. Dezelfde grote heldere ogen. Hetzelfde mondje, met die lach. Hetzelfde mondje, waar voortdurend geluid uit komt. Ze is het.
Ik waarschuw u vast. Dit stukje is best een lap tekst. Daarom druk ik regelmatig op Enter en voeg ik witregels in. Hierdoor ontstaan alinea's en wordt de tekst wat overzichtelijker. Toch was ik aanvankelijk van plan het niet te doen. Waarom niet? Omdat het eigenlijk niet nodig is. Als je eenmaal begint met lezen, is het hele verhaal een vloeiend geheel. Bovendien heb ik kramp in de pink van mijn rechterhand.
Plots komt er een meid van in de twintig op een sportfiets voor mij rijden. Ze draagt een zwarte wielrenbroek en een strak groen truitje. Haar blonde haren heeft ze in een staart. Achter haar oren zie ik twee grijsgekleurde dingetjes. Het zijn niet de pootjes van een bril; het zijn gehoorapparaatjes. Het meisje is doof of slechthorend en heeft mooie rondingen van achter. Ze rijdt flink door; ik kan haar nauwelijks bijhouden zonder dat het opvalt.
Theaterdialoog in een bedrijf, deze keer een restaurant
Music is the cup which holds the wine of Silence
(Theaterdialoog in een bedrijf, in dit geval een café)
Ik moet u vertellen van Billy. Billy is mijn vriend. In het echt heet hij helemaal niet Billy; in het echt heet hij Tim. Toch noem ik hem hier om redenen die iets met privacy en verlegenheid te maken hebben: Billy.
Of ik meeging naar een wijnproeverijtje. Ik en alcohol is een levensgevaarlijke combinatie.
Sinds het invoeren van de cookiewet zijn de kijkcijfers van de FOK!columns gruwelijk laag. Vandaag probeert bazbo daar verandering in aan te brengen.
Plots komt er iemand aan de tafel zitten. Ik kijk haar aan. Ze lacht. Dat is een goede start. Ik ken haar niet.
De mensen vragen mij vaak: 'Hoe kom jij toch aan dat razend knappe uiterlijk?'
Ik moet wachten bij het stoplicht. Naast mij komen twee meisjes staan. Ze hebben prachtige lange haren en dragen spijkerbroeken en een kort jasje. Ik kijk. Mooie meisjes, hoor. Zij kijken naar mij. 'Hallo,' giechelen ze. Ik knipper met mijn twee ogen. 'Hoi,' zeg ik met een grijns. Ze moeten nog harder giechelen. Vinden ze me leuk of gek? Ik hoop het eerste, maar vrees het laatste. Het is niet erg. Nog steeds dat ene liedje in mijn hoofd.
Zo ver, zo vreemd en zo veilig. Raar dat het zo voelt en toch ook niet. Ja, ik voel me thuis bij deze schitterende mensen en nee, ik voel me hier ook vreemd. Het is in alle gevallen een prima gevoel.
'Schat,' zeg ik zonder woorden, 'ik ben bang dat ik gelukkig ben.'
Zeker weten doe ik het niet, maar volgens mij begrijpt ze mij gelijk.
Ik duw mijn rug tegen de grote glazen deur en laat me door mijn knieën zakken. Langzaam schuif ik omlaag tot mijn billen de grond raken. Mijn tas zet ik naast mij neer. Ik leg mijn arm eroverheen en sluit mijn ogen. Zou het lukken om te slapen? Ik ben bang van niet. Daarom doe ik mijn ogen ook maar weer open. Onopvallend kijk ik rond.
Ik ben niet de enige.
Ik weet waar ze te zien zijn. In Apeldoorn. Meer zeg ik niet. De exacte locatie geef ik niet prijs. Stel je voor dat iedereen er gaat kijken, dan kom ik er zelf niet meer tussen. Mocht je mij toevallig toch zien staan staren, sluit dan achteraan in de rij.
Wie begint er nu in juni een culicolumn over de biet? Wie niet? Ik wel. Of toch maar niet? Toch maar niet. Geen verse biet meer te krijgen. En dat terwijl een biet niet eens vers hoeft te zijn. In de groentelade van je koelkast kun je ze weken lang bewaren. Ik had laatst gele bieten in mijn biologische groentepakket en dat was niet eens omdat ze te lang hadden gelegen. Ze waren van zichzelf al geel. Snijbiet is weer een heel ander soort biet.
Er stond weinig wind vandaag. Kapitein Söfring Hansson keek tevreden uit over het kalme water van de haven. Het indrukwekkende schip voer vanaf het Driekronenpaleis in de richting van de havenmond. 'Een historische dag,' dacht de kapitein. '10 augustus 1628. Drie jaar lang is er aan dit schip gebouwd en nu is het dan zover.' Hij voelde een zachte windvlaag. De Vasa schommelde licht en maakte iets slagzij. 'Geen nood,' sprak de kapitein zachtjes voor zich uit. 'Dit schip is de trots van de vloot. Het is ontworpen door de meest ervaren scheepsbouwers uit heel West-Europa en vervaardigd door de beste handwerkslieden.' Kapitein Hansson was er zeer fier op dat hij het schip als eerste de haven uit mocht varen.
We kwamen langs een filiaal van een fastfoodketen.
'Trek?' vroeg de jongeman.
'Nee, ik heb voor het concert al goed gegeten.'
'Meer zin in een goedkope hoer?'
'Goedkoop is duurkoop,' zei ik. 'Zeker in het geval van hoeren. Voor je het weet zit je met een heel nare ziekte.'
'Daar weet jij alles van?' vroeg de jongeman.
Met een welgemikte vuist sloeg ik hem neer. Vanuit mijn ooghoek zag ik een auto aan komen rijden. Stik, het was een politiewagen. Snel rende ik een steegje in.
Dit is erg. Pijn. Mijn maag doet zeer. En niet alleen mijn maag. Ik voel mijn darmen samentrekken. Wacht, eerst naar de wc. Zwetend beland ik er. Ik kniel voor de pot. Weer een golf. Een bittere smaak vult mijn mond. Mijn half lange haren hangen in vochtige slierten voor mijn ogen. Langzaam sta ik op. Ik houd me vast aan de wastafel. De kraan opendraaien kost me oneindig veel kracht. Dan stroomt het koude water. Ik drink. Ik spuug het weer uit. Ik spoel mijn mond. Met natte handen bet ik mijn gezicht. Ik kijk in de spiegel. Bleek. Het was ook niet verstandig om die vis te eten. Ik weet dat ik er niet goed tegen kan. Veel heb ik niet eens gehad. Een paar hapjes. Meestal heb ik er dan geen last van. Er moet iets mis zijn geweest met die vis.
'Prettige Hemelvaart.' Het klinkt wat raar. Toch wens ik het u allen toe. Dat is best lief van mij, niet? Geef toe, soms ben ik allerhartelijkst. Soms ook niet. Moet u ook maar niet de hele tijd aan mijn kop zitten zeuren over onbelangrijke dingen. Er is niet veel belangrijk in dit leven, hoor. Maar dat wist u natuurlijk al. Of wacht, dat wist u helemaal niet. Als u het wel had geweten, had u niet de hele tijd aan mijn kop zitten zeuren over onbelangrijke dingen. Ik hoor u de vraag al stellen: 'Wat is er dan wel belangrijk in het leven?' Een opsomminkje.
'Moet je kijken', zeg ik. Ik wijs. 'Wat een boel mensen op straat. En dat met dit weer. Het regent en het blijft maar regenen. Houdt het dan nooit op? Zo te zien voorlopig niet. Mensen hebben een paraplu open, maar sommigen ook niet. Zo hard regent het dus ook weer niet.'
'Er is veel te zien, inderdaad,' geeft Vrouwlief mij gelijk. Zo heb ik haar het liefst. Dat ze mij gelijk geeft.
De man zit niet op zijn gebruikelijke plek, maar hier in het winkelcentrum. Het regent, vandaar. Hier zit hij droog. Hij draagt zijn afgetrapte spijkerbroek, sportschoenen en zijn groene jas. Wat verdwaasd kijkt hij uit zijn ogen. Zijn gezicht lijkt nog pafferiger dan de vorige keer dat ik hem zag. Aan zijn voeten ligt een plastic tas. Ik weet wat erin zit. Hij neemt een slok uit het blik dat hij vasthoudt.
Nee, de tieten van Blondie, die zijn lekker! De jongen vindt Blondie helemaal niet zo lekker. Sommige liedjes zijn wel leuk, maar die meid zelf vindt hij maar niets. Zo moet een meisje toch niet zijn? Veel meisjes spreekt hij niet. Ze zitten wel bij hem in de klas, maar hij durft niet met ze te praten. Het blijft bij fantaseren. Hier in zijn zolderkamer is hij veilig.
'Life's a piece of shit
When you look at it
But always look on the bright side of life'
- Eric Idle
'Life's a piece of shit
When you look at it
But always look on the bright side of life'
- Eric Idle
'Last night, I had eight Duvels.' De man kijkt ons triomfantelijk aan. Zijn vrouw krijgt een rood hoofd, glimlacht en kijkt dan weg. Het is duidelijk dat ze zich een beetje schaamt. Zo netjes als ze gekleed gaat, zo hoffelijk als ze zich gedraagt: daar passen de acht Belgische jongens van haar man niet bij.
Het echtpaar komt uit Nottingham. Van Robin Hood toch? Exactly, de oude boom staat nog altijd op het plein voor de herberg. Ze zijn hier met de hele vereniging op rondreis door Vlaanderen en Normandië. Vandaag bezochten ze de begraafplaats in Ieper.
En wij?
'Wie wil er een ei?' was de vraag.
Ik had me weer eens uitgesloofd voor de zondagbrunch. Ik sloof me altijd uit voor de zondagbrunch. En voor de zaterdagbrunch, want wij brunchen niet alleen op zondag, maar ook op zaterdag. 't Is dat ik moet werken door de week, anders zouden we ook brunchen op maandag, dinsdag, woensdag en alle andere werkdagen tot en met vrijdag. Al zou ik me door de week wat minder uitsloven voor een brunch, geloof ik. Al mijn huisgenoten zijn dan aan het werk of op school, en wie gaat er nu in zijn eentje uitgebreid en uitgesloofd zitten brunchen?
De vraag hoefde geen uitleg en geen herhaling. Iedereen wilde een ei. Ik had er voldoende. Ik had er veel te veel. Dat kwam zo.
bazbo weet als geen ander hoe je iemand op de juiste manier moet aankondigen.
Met deze tekst introduceerde hij een heel bijzonder iemand tijdens de FOK!columnistencabaretvoorleesvoorstelling op 11 maart in Apeldoorn ...
Goedemorgen, beste lezers. Al dik vier jaar fiets ik naar mijn nieuwe werkplek. Had ik al verteld dat ik een nieuwe werkplek heb?
Ik rijd de route naar de nieuwe werkplek ondertussen geheel op de automatische piloot. Ik weet precies waar iedere hobbel in de weg zit, wanneer het stoplicht op groen zal springen, welke scheur in het asfalt ik moet ontwijken en welke mensen ik zal tegenkomen.
Geloof het of niet: ik kom iedere morgen dezelfde mensen tegen.
Krap zitten ze nog altijd, die schoenen. Ik draag ze al bijna anderhalf jaar. Hoe krap die schoenen ook zijn, ze lopen wel geweldig. Het zijn dan ook Ecco's. Ze waren best duur, maar als je het afzet tegen de lange looptijd (hoe verzin ik ze toch?), dan valt het uiteindelijk wel mee.
Ik stap in en vind een leeg zitje. Mijn tas zet ik op de bank naast me. Lang zal de rit van Apeldoorn naar Zutphen niet duren. Ik houd mijn jas aan. We moeten nog een minuut of wat wachten. De conducteur komt langs. Hij hoeft nog geen kaartjes te zien, maar pakt alle kranten uit het bovenrek. Ik werp een blik naar buiten.
Krap zitten ze nog altijd, die schoenen. Ik draag ze al bijna anderhalf jaar. Hoe krap die schoenen ook zijn, ze lopen wel geweldig. Het zijn dan ook Ecco's. Ze waren best duur, maar als je het afzet tegen de lange looptijd (hoe verzin ik ze toch?), dan valt het uiteindelijk wel mee.
Gelukkig is de stad zo groot en is er zo veel te zien, dat we nauwelijks in onze hotelkamer hoeven te zijn. We gaan de hele dag op pad. We hebben tijd te kort. Aan het eind van iedere avond blazen we uit in de pub The Gallery. Als het sluitingstijd is, hoeven we maar een paar honderd meter te lopen naar de plek die we 'onze hotelkamer' moeten noemen.
Hier werd ik geboren, hier heb ik altijd gewoond, hier blijf ik wonen en hier zal ik sterven. Dit is mijn thuis. Ook al vergooide ik mijn leven, dit is het hart van de wereld. Van mijn wereld. Bij het breken van de dageraad ben jij nog in slaap. Langzaam ontwaak je. Ik ben hier en waar ben jij? Ik weet het niet. Ik weet het gewoon niet.
Ik kan mijn trouwring niet gebruiken als penisring. Dat heeft niets te maken met het fameuze formaat van mijn orgaan. Het tegendeel is waar; het zegt alles over mijn smalle pianovingertjes. Daar komt nog eens bij dat ik helemaal geen behoefte heb aan lustopwekkende of stimulerende speeltjes. Een fijn hitsige boel beleven we in bed.
Iemand las het manuscript van mijn nieuwe boek. In dat boek staan allemaal stukjes die ik hier en op een andere webstek plaatste. Het is een verzamelbundel. 'Ik zal het niet meer hebben over de kwaliteit van je schrijven,' zei de iemand door de telefoon. 'Want die is hoog, dat weet je. Maar als ik het hele boek zo lees, dan merk ik dat na een verhaal of wat mijn aandacht verslapt. Ze zijn allemaal even lang. Je zou afwisseling kunnen aanbrengen door af en toe ook een kort verhaal erin te stoppen. Dat houdt de spanning erin.'
Ik had kaarten voor het concert in Weert op zondag 5 februari. Altijd leuk. De avond ervoor zag ik op televisie de gruwelijke beelden van chaos op de stations, bevroren wissels, besneeuwde rails, uitgevallen treinen, ontbrekende informatie op perrons, mopperende reizigers en NS-personeel dat in geen velden of wegen te vinden was. Het zag ernaar uit dat mijn reis naar Weert een horrortocht zou worden à la de De hel van '63.
(Tuut … tuut … klik)
'Mondhygiënistepraktijk [onverstaanbaar], goedemiddag, met Anne.'
'Goedemiddag, u spreekt met Bas Langereis. Op advies van mijn tandarts
wil ik graag een afspraak maken voor een schoonmaakbeurt.'
'Dat kan. Wie is uw tandarts?'
Ik noemde zijn naam.
'Ah, die is hier vlakbij. Wij zitten er schuin tegenover.'
Zou zij straks in mijn ongezonde eetgat gaan zitten schoffelen?
Nee, dat zou ze niet. Niet straks. Die afspraak was pas over meer dan drie weken.
Vandaag is het Nationale Gedichtendag. Veelzijdig schrijver bazbo draagt daar het zijne aan bij. Jammer, maar het is even niet anders. Profiteer er nou maar van.
Zoals nu. Dat komt vaker voor. Ik weet niet hoe het komt. Zou dat belangrijk zijn? Volgens mij niet. Ik had het niet durven voorspellen. Voorspellen is ondoenlijk, zeker als het de toekomst betreft. Zekerheden die geen zekerheden blijken te zijn. Dat is dan wel duidelijk.
Nog heel even en dan komt daar de concrete werkelijkheid. Ik moet er niet aan denken. Zoals nu.
'Dames en heren, zijn columns voor FOK! worden bijzonder hoog gewaardeerd. Het is algemeen bekend dat zijn verhalen vooral de vrouwelijke lezers weten te prikkelen. Dagelijks ontvangt hij ontelbare fanmail van zijn lezeressen, van wie hij niet zelden ondeugende voorstellen krijgt. Dat is niet verwonderlijk. Sinds 18 januari 2007, nu dus al vijf jaar lang, plaatst hij iedere donderdagmorgen een prachtig stukje op de FrontPage. Dames, bij mij schuift aan: bazbo!'
(Applaus.)
"MIJN VROUW ZEGT DAT IK EEN GEHOORTEST MOET LATEN DOEN!" zei ik tegen het wichtje achter de toonbank.
Ze keek me aan met een kop van: 'Nou, u hoeft niet zo te schreeuwen hoor, meneer.' "Dat kan," zei ze.
Ik bekeek haar eens. Het was helemaal geen wichtje. Het was een madam
die een beetje flink stond te wezen en mij nu naar een desk met een
hoofdtelefoon erop wees.
"U zet de hoofdtelefoon op en hoort dan allerlei piepjes," legde ze uit.
Ik zette de hoofdtelefoon op en hoorde niet meer wat ze verder zei. Ik
zette de hoofdtelefoon weer af. "Pardon," zei ik. "Kunt u even opnieuw
beginnen? Ik hoorde niet meer wat u verder zei."
Hoi Willem,
Alles oké nog? Waar ik voor bel, is het volgende.
Ik
heb een nieuwe bundel verhalen klaar. De bundel is nieuw; de verhalen
niet. Zou jij plaats willen nemen in een 'panel' en mijn selectie willen
beoordelen? Graag wil ik
jouw mening horen, zodat ik uiteindelijk een goed afge- en
overwogen product kan aanbieden aan de uitgeverij.
Laat je me snel
weten of je belangeloos mee wilt werken? Als dat het geval is, stuur ik
je een digitale versie van het concept manuscript.
Ondertussen de groeten,
"Jij een oliebol?" vroeg de Liefde van mijn Leven. "Nee zeker, hè?"
Ze kent me. Ze wist ook wat ik ging zeggen. Daarom zei ik het maar niet.
"Want je hebt dit jaar al een oliebol gehad?" vroeg ze naar de bekende weg. Zoals ik al zei.
"Vooruit," zei ik, terwijl ik in de schaal met bollen greep. "Laat ik er eens eentje nemen. Om de jaarwisseling te vieren."
Valt er wel iets te vieren? Moet ik hier nu terugkijken op het oude jaar? Laat ik het eens doen; misschien kun je lachen.
De donkere dagen voor Kerstmis waren het. En zo kon je het vandaag wel noemen nu. Zeer toepasselijk. Op straat zag je niet veel. Wat wilde je ook? Het was pas tien over half acht of zo. De meeste mensen hadden vast al vakantie. Hoe lang moest ik nog werken? Niet lang. Vandaag was mijn laatste dag. En dan begonnen de feestdagen. Nou ja, eerst nog een boel inkopen doen. Had ik er al zin in?
Een dun regentje viel op mij neer. Normaal gesproken vind ik het heerlijk om naar mijn nieuwe werkplek te fietsen. Het maakt mijn hoofd even leeg en ik werk nog aan mijn conditie ook. Vijfentwintig minuten stevig doortrappen. En dan 's middags ook weer vijfentwintig minuten terug. Lekker. Behalve vandaag dan. Eerst regen en nu dan ook nog het vooruitzicht op wagonladingen inkopen en tweeëneenhalve dag noodgedwongen gezellig zitten doen. U begrijpt: wij vieren Kerstmis dit jaar buitenshuis.
(Deze column schuif ik al maanden voor mij uit.)
Ik heet Bas Langereis en ik ben geen anonieme alcoholist. Ik kom er rond voor uit. Zie mijn dikke buik maar eens.
"Ik heb een enorme afkeer van drugs," roep ik altijd. "Het maakt mensen
niet meer wie ze eigenlijk zijn. Dat mensen zich zo kunnen verliezen in
benevelde toestanden, daar kan ik met mijn kop niet bij. Ik heb veel
liever te maken met mensen die grip op zichzelf hebben." Vervolgens giet
ik mijn glas nog eens vol. Drank is de hardste drug die je je maar voor
kunt stellen.
Mail naar huis, twee dagen eerder:
"Schat, ik rijd vanmorgen op weg naar de nieuwe werkplek langs de markt,
sta ik bij de kaaskraam en wil ik pinnen, weet ik toch de pincode niet
meer! Was het nou 8329 of 3829 of 2938 of watdanook? Na twee pogingen
ben ik gestopt en uiteindelijk heb ik uit allerlei hoeken en gaten van
mijn tas en jaszakken die negen euro bij elkaar gepeuterd. Nu weet ik
hem nóg niet meer, die code. Weet jij hem? Liefs. P.S. Ik ben dement."
Terug van boodschappen doen, die zaterdag:
"Lieverd, ik was in de Aldi omdat je had gevraagd daar iets te halen.
Loop ik daar door die Aldi en plots weet ik niet meer wat of ik kwam
kopen. Ik heb dat te vaak, de laatste tijd."
Ik ben mijn geheugen kwijt.
Die zanger scheert zijn oksels, zag ik. Wat een mietje. Met z'n malle tattoos. Ik schoot een boel foto's en filmde enkele liedjes. Ondertussen ging het raggende volk ruig verder met tegen elkaar aan duwen en botsen. Er ging zelfs een gast omhoog. Crowdsurfen in Apeldoorn. Goede titel. Wam! Daar kreeg ik een beuk. Ik bleef op de been. En wam! Nog een dreun.
Jahaaaa, zit niet zo te zeuren. Ik weet het heus wel. Het is veel te lang geleden dat ik nog eens een culicolumn heb geschreven. Ik wil me d'r nu best wel aan wagen, maar waar moet hij in heidensnaam over gaan? Het is niet bepaald de tijd van het jaar om vol enthousiasme te vertellen over seizoensgebonden streekproducten. De winkels liggen vol met kool. Bloemkool, boerenkool, witte kool, groene kool, rode kool, chinese kool, zuurkool, spruiten, koolrabi, brokkoollie en spitskool. Gadverdamme. Je gaat er enorm van uit je gat walmen.
Ik heb een nieuwe werkplek, maar dat wist u al. Wat u niet wist, is dat het leuk werk is. Of wacht, dat kan helemaal niet. Werk is nooit leuk. Werk is iets dat moet en ik houd niet van dingen die moeten. Het is een verplichting en ook daar houd ik niet van. Laat ik het beter formuleren: van alle soorten werk die er bestaan, heb ik de minst erge. Iedere keer als zij langskomt, dan realiseer ik me weer dat ik in een bevoorrechte positie zit. Ik mag hier werken. Ik mag naar haar kijken.
Omdat ik de meeste van mijn stukjes schrijf in de eerste persoon enkelvoud, vragen veel mensen aan mij: "Is het allemaal echt waar? Is alles autobiografisch?" Ik ga daar geen antwoord op geven. Het gaat u helemaal niets aan. Bovendien is mijn leven al moeilijk genoeg. Ik zal hier niet klagen. Daar heb ik geen tijd voor. Ik ben veel te druk met mijn twee nieuwe werkplekken (Had ik al verteld dat ik … laat maar.), de verbouwing in mijn badkamer, het opvoeden van de Zoon, het schrijven van dit soort stukjes en mijn boekjes en alle artikelen voor alle andere internetsites. Toch wil ik van de gelegenheid gebruik maken om een intieme bekentenis te doen.
Het is stil. Vanaf hier zie je ook niet zo veel. Het zondagzonlicht valt
door de ramen op het grote balkon en verderop. Ik
kijk omhoog. De enorme stenen bogen doen zowaar vertrouwd aan. Ik
knipper met mijn ogen, rek mijn hals en probeer over de balustrade heen
te kijken. Het lukt niet echt. Er gebeurt van alles, daar beneden. Hoor,
er klinkt een stem. Ik hoor hem, maar luister er niet naar. Het kan me
niet schelen wat er wordt gezegd. Ik kom er niet voor. Toch blijf ik
zitten.
Mijn blik glijdt langs de pilaren en de lampen. In de ramen
zie ik vaag bekende taferelen.
Het ritueel is maar al te bekend. Ik kom hier te vaak.
De wereld staat in brand;
steek je kop maar in het zand.
Ik kan niet omgaan met complimenten. Het zal met mijn minderwaardigheidscomplex te maken hebben.
Hier staat tegenover dat ik heel goed kan omgaan met felle
negatieve kritiek. Zo hoor ik nogal eens: "Jij schrijft alleen maar
ellenlange zeurverhalen die nergens over gaan. Je springt van de hak op
de tak, dwaalt voortdurend af en vertelt nooit eens iets wezenlijks wat
de lezer aan het nadenken zet." Dit soort kritiek leg ik onmiddellijk
naast mij neer, want het is toch altijd onterecht.
"Hee!" zei ze enthousiast.
"Hoi," was mijn verweer.
Ik had mijn aandacht er niet bij. Normaal gesproken wel, als een leuke vrouw mij passeert en mij hartelijk groet. Het lag ook niet aan haar. Ik stond voorover gebogen over de bakken en kon maar geen beslissing nemen.
Die bakken waren trouwens opvallend leeg. Dat was niet alleen vandaag; dat was al enige tijd zo. Mensen kochten hier steeds minder.
Snel de aandacht afleiden.
Kijk, daar heb je die ene jonge vrouw. Ik zie haar hier vaker. Ze draagt halfhoge laarsjes en een zeer strakke spijkerbroek met een kort tuniekje erboven. Zo zie je leuk de rondingen van haar reet. Prima geproportioneerd, dat moet gezegd. Haar blonde haren heeft ze opgestoken en haar glimlach is alom. Moet ik nog uitleggen dat ik haar een mooie griet vind? Vast niet. Het zal u niet verbazen. Vindt u het ook niet gek dat er bij het zien van dit blonde meisje wel eens vragen bij mij naar boven komen? Vragen in de trant van: Zou ze wel 's …?
"Jullie zijn een grappig stel," zei de dame van achter haar toonbank. We
konden haar even niet zien. Ze zat voorovergebogen en zocht iets. Het
was een vrouw van ongeveer onze leeftijd. Misschien iets ouder. Vlot
gekleed in een strakke beige broek en bruine, hoge laarzen. Ze droeg een
luchtig hemdje en daaroverheen een kort leren jasje. Haar blonde haren
had ze opgestoken en als ze glimlachte verschenen er allemaal rimpeltjes
in haar gezicht. Dan was ze toch wel ouder dan wij. Veel ouder.
Een grappig stel? Wij? Vrouwlief en ik keken elkaar aan. Waar hád ze het over? Zelf vond ik de dame op haar beurt ook best geestig.
Zo. Ik ben weer terug van weggeweest. Ja, ik heb een heerlijke vakantie gehad. Aardig dat u het vraagt. Veel gezien en gedaan, prima weer en vooral heel gezellig.
De dorst was echter niet over. Dus moest ik maar weer eens wat gaan halen. Ik zette een leeg kratje Dommelsch op mijn bagagedrager en dook op de fiets. 'Krak,' hoorde ik onder mij. Dat voelde niet goed.
Gisterenmorgen stond ik op. Ik was de avond ervoor naar bed gegaan, vandaar. Dat is niet vanzelfsprekend. Je kunt ook opstaan als je net bent gevallen. Of als je drie dagen ervoor bent gekruisigd en daarna begraven in een grot. Dat was echter niet het geval. Vrouwlief heeft een gat in beide handen; ik niet. Ik stond alleen maar op.
Ik heb soms malle ideeën. Of zoiets. Hoe begin je een verhaal met een dergelijke titel? Ik wil niet gelijk met de grootste ranzigheid in huis vallen. Dat valt nog niet mee. Waarom verzin ik dan ook van die idiote titels? Wie het weet, mag het mij komen vertellen. Ik heb er totaal geen grip op. Ze komen zoals ze komen.
Kijk, daar heb je d'r weer. Het meisje dat mij tegemoet fietst op haar
zwarte opoefiets. Ze draagt weer haar spijkerjasje en haar
spijkerbroek. Ze heeft een licht getinte huid, prachtige donkere ogen
en lang zwart steil haar. Aan haar voeten draagt ze blauwe gympies.
Heeft ze een dun snorretje? Wel schattig. Maar wat kijkt ze boos! Ik zie
een diepe frons in haar voorhoofd. De groef maakt een bocht tot tussen
haar ogen.
Waarom kijkt ze zo kwaad? Het maakt haar wel mooi. Haar ogen spuiten vuur. Innemende donkere ogen. Wat kan er aan de hand zijn?
Als ik de aandrang eenmaal heb, dan heb ik geen enkele moeite met kakken. Dan ga ik op de pot zitten en hoef ik niet te persen. De afvalstoffen lopen er vanzelf uit. Zo gepoept. Eh, gepiept. Die aandrang heb ik niet altijd onder controle, dat heb ik u verteld. Als ik moet, dan moet ik ook snel. Doe ik dat niet, dan doe ik het toch. Reuze vervelend. Onvoorspelbare darmen; er is mee te leven. Het handigst is het als ik 's morgens vroeg, vóórdat ik de deur uitga, mijn fecaliën tegen het porselein heb laten spetteren. Vaak lukt dat. Een regelmatig leven met een regelmatige stoelgang is fijn. Soms lukt het ook niet. Zoals vanmorgen. Nu volgt een persbericht.
Thuis luidden we de vakantie liederlijk in. Daar kwam zwetende stoomseks van. Maar die heb ik door de week ook en dit verhaal gaat over de vakantie, dus ik ga daar nu niet uitgebreid over vertellen. Voordat het echt kwam tot zwetende stoomseks had ik trouwens ook nog eerst eten gekookt en keek Vrouwlief televisie en we aten mijn kookresultaat nog op ook en later die avond schreef ik mijn columns voor tijdens de vakantie, las ik de reisgids, pakte ik de vaatwasmachine in en deed ik hem aan ook. Er zijn tenslotte meer dingen in het leven dan alleen maar zwetende stoomseks.
Waarin onze held een jaar later een platenwinkel bezoekt, een aanstekelijk optreden tijdens het festival meemaakt, verscheidene onbelangrijke figuren ontmoet, gebeurtenissen van een jaar daarvoor opnieuw ervaart, herenigd wordt met die ene vrouw die er wél toe doet en uiteindelijk dé vraag niet gesteld en beantwoord krijgt.
Vrouwlief wilde helemaal geen kinderen, zo bleek toen we net bij elkaar waren. Ik wel. Wist ik veel waarover ik het had. Ik had nog nooit een kind gekregen. Wél had ik heel veel zin om er eentje te maken. Dat heb ik nóg. Dagelijks. Ieder uur. Iedere minuut. Maar ik kan het niet meer. Een kind maken, mijzelf voortplanten, bedoel ik. Eigen keus. Rigoureus de bedrading door laten knippen, enige jaren geleden. Ik spetter nog een hoop troep, maar zaad kun je het niet meer noemen.
Waarin onze held gaat piesen op de damesplee, een broodje shoarma bestelt, zich ergert aan een glas melk, uiteindelijk het allesverklarende gesprek niet voert en weer thuis komt. Dat belooft wat voor de volgende keer.
Het was een smal meisje met een tuniekje aan. Alles was smal en
petieterig aan haar. Ook haar taille en tietjes. Nee, dan de volle
glorie van hoe heet ze ook weer? Dit meisje dat hier nu voor mij stond,
ik vond haar wel leuk en lief en mooi en ze lachte ook prachtig, maar …
maar wat? Geen gelul. Tijd om te zuipen.
"Mag ik een Korenwolf?" vroeg ik haar. Het mocht. En ik mocht ook een
bon openen. Dat werd weer schrikken aan het eind van de avond.
"Kijk eens, een Korenwolf," hoorde ik het barmeisje zeggen.
"Da's mooi," antwoordde ik. "Laat ik die nou ook besteld hebben."
Het meisje keek me vragend aan. Leuk, die grote ogen. Heel leuk. Deze avond beloofde grandioos te worden.
Waarin onze held een gesprek voert over muziek, de laatste set van een concert aanhoort, diepe gedachten heeft over een zekere vrouw en waarin uiteindelijk de beslissing valt iets te gaan eten.
Met dat mooie weer is de dorst niet te lessen. Drinken is dan ook niet aan te slepen. Ik kan maar één kratje Dommelsch tegelijk vervoeren achterop de fiets. Volle, welteverstaan. Lege kratjes, daarvan durf ik er wel twee achterop te zetten, maar volle? Nee.
En dan nu. Ze heeft me gevonden!
Mijn ogen vliegen nogmaals over de regels van de mail. Ze zegt dat ze destijds op zoek was naar rust in de gekte van het leven. Die rust vond ze bij mij, ook al was ik de onrust zelve. Ze schrijft dat ze dierbare herinneringen aan mij heeft. Ze moest eens weten; ik ook aan haar.
Waarin onze held geconfronteerd wordt met allerhande meligheid (bedoeld en onbedoeld), een figuur uit het verleden, een vrouw die op Gerdox lijkt maar het niet is, mensen die duidelijke ingestudeerde danspasjes maken, een signeersessie, de vrouw op wie hij ooit eens heel gek was, een trut achter de tapkast en een glas.
Wat is het leven mooi. Heerlijk. Dit is vrijheid. In je blote billen in de natuur. Niemand die het ziet. Dit bloot zijn heeft niets seksueels, wél iets bevrijdends. 'Alles van waarde is weerloos.' Lucebert had gelijk. Wist u het nog niet, dan weet u het nooit.
Waarin onze held iemand mee naar huis heeft genomen om mee samen te eten en uit te gaan en waarin de levensgevaarlijke tocht op weg naar de Nacht beschreven wordt, waarin bekende en onbekende personen ten tonele verschijnen, de eerste glazen drank lustig vloeien en de lach nooit ver weg is.
De moeder komt terug de woonkamer in. Ze heeft een theepot in haar handen en schenkt mijn lege kopje vol. Het is een kopje met een gouden randje en een sierlijk oortje. "Ik laat jullie maar even alleen," zegt ze. "Jullie hebben vast veel te bespreken." Ze loopt naar de luie stoel en schudt het kussen achter het hoofd van de jongen op. Dan gaat ze de kamer weer uit.
"Hoe is het op school?" vraagt de jongen.
"Goed wel," zeg ik.
"O. Dat is mooi."
Ik heb helemaal niets te bespreken.
Wat is het heerlijk rustig op straat! Normaal stikt het van de schoolgaande jeugd; nu is het vakantietijd. Het lijkt wel of ik de enige op deze wereld ben. Dat is niet zo. Kijk, daar heb je de jonge vrouw die mij iedere morgen tegemoet fietst. Ze berijdt een transportfiets met voorop een grote mand die is versierd met plastic bloemen. Haar lange donkerblonde haren dansen in de wind. Ze komt voorbij. Ik ruik een zoet parfum. Hmmm.
"Jij bent écht jaloers!" riep ze uit. "Zie je wel!"
"Ah joh, het was maar een grapje," probeerde ik me eruit te redden.
"Ja ja. Ik geloof er niets van. Maar goed, ik zal het er morgen eens met hem over hebben."
"Waarover?"
"Nou, waar we het net over gehad hebben," verduidelijkte ze.
"Waar hebben we het dan over gehad?" vroeg ik.
"Over wat die vriend van me zei."
"O ja. Die vriend van je."
Ze gniffelde. Mijn hoofd deed pijn. Verder wist ik ook niet wat ik moest zeggen.
Ze lachte. Ik vond haar mooi en leuk. Nu hoefde ik er alleen nog even achter te komen of ze ook lief en lekker en warm en geil was en mij dat allemaal óók vond. Seks met haar. Dat leek me wel wat. Zou het haar ook iets lijken? Ik hoopte het. Dan was het een hete troel. Ik probeerde me voor de geest te halen hoe het zou zijn om haar langzaam uit te kleden en de piemel in de gleuf te steken. Haar prachtige lichaam, daar kon ik van alles bij verzinnen. Of zou d'r iets mankeren?
Hoe heet ze ook weer? Ik vind haar heel mooi. Ze heeft lange steile donkerblonde haren en een leuk gezichtje met een leuker lachje. Vaak draagt ze zo'n strak grijs jurkje, waarin haar meesterlijke set tieten goed vol uitkomen, en zijn haar benen gestoken in een zwarte legging. Mooi, hoor. Eronder draagt ze dikke suède winterlaarzen à la Uggs. Da's dan weer jammer. Maar je moet 's zien hoe lief ze aan haar cola met een rietje lurkt. Vandaag had ze een zwarte jurk aan. Ook mooi. "Nog iets drinken?" vroeg ze.
Estherschrijft kan vanavond niet. bazbo valt in. Hem kennen we allemaal!
"Hallo Bas," kwam hij erbij zitten. "Ik heb op internet het een en ander
over jou gelezen." Ik had deze meneer nog nóóit gezien. Wie was hij?
"Misschien is dit wel een impertinente vraag, hoor. Maar jij hebt een
zoon, hè? Wat me opvalt is dat je nooit over hem schrijft."
"O jawel, hoor. Dat doe ik heus wel. Lees mijn stukjes voor FOK! maar eens. Maar ik wil niet dat hij op
straat wordt aangesproken als 'de zoon van'."
"Ach zo. Hij heeft toch een of andere aandoening?"
"Het is een bijzondere jongen," zei ik.
De vent lachte. "Dat zegt iedereen van zijn kind."
"Maar ik ken de kinderen van anderen niet, dus die vind ik niet zo bijzonder. Ik ken alleen mijn eigen kind. En zijn moeder."
"Wil jij iets van mij drinken?"
Kijk. Nu gaat het ergens over. "Graag. Lekker. Een Korenwolf, alsjeblieft."
Ze was vooral zo
fijn vanwege haar grote tieten.
"Mag ik met jou mee naar huis?" vroeg ik.
"Hmm, ik weet niet," zei Samantha. "Ik neem niet zo
maar iedere man mee naar huis. De meeste kerels willen alleen maar aan
mijn tieten lurken."
"Ik wil helemaal niet alleen maar aan je tieten
lurken," zei ik stellig. "Ik wil ook wel aan andere onderdelen van je
lurken." Dat laatste zei ik maar niet. "Een goed gesprek na afloop sla
ik ook nooit af," zei ik wel.
"Ik ben daar niet zo goed in," was
haar antwoord. "Ik heb niet gestudeerd. Vandaar dat ik niet veel verder ben gekomen dan serveerster."
"Maar je bent wel een heel goede serveerster," zei ik. Hoe lang ging dit duren? Ik had heel erg zin in grote tieten.
"Dat is lief van je, dat je dat zegt. Ik krijg niet zo vaak complimenten."
"Je hebt ook heel mooie tieten," zei ik.
Er zijn twee zaken die het café fantastisch maken. De eerste zaak is Korenwolf van de tap. Dat heb je niet in ieder café, maar wel in café 'De paffende snol'. De tweede zaak is de serveerster, die we voor het gemak maar even Samantha noemen. Het fantastische aan Samantha zijn haar knoeperds van tieten. Haar snoet mag er ook zijn, maar als je daar een blik op werpt, wordt je aandacht onmiddellijk afgeleid naar die joektoeters van haar.
Het meisje dat voor mij uit fietst draagt een spijkerbroek en gympies. Dat soort meisjes zijn toch het leukst. Ze heeft ook een goede kont. Maar wat zit ze dom op het zadel. De fiets is te laag voor haar. Haar rug is gekromd en bij het trappen komen haar knieën ver omhoog. Ik vind het geen gezicht. Haar gezicht kan ik trouwens ook niet zien. Wel haar wapperende lange blonde haren. En haar goede kont. Daar troost ik mij dan maar even mee. Hoe oud zou het grietje zijn?
Het staat ergens in een klein hoekje in de krant op maandag 6 juni 2011. "Andrew Gold overleden," lees ik. Net geen zestig. Hartaanval. Ik knipper met mijn ogen. 'Mijn held' kan ik hem niet noemen. Toch heb ik een tijd lang zeer genoten van zijn prachtplaat. Zou hij op cd te vinden zijn?
Wat doe ik hier? Het is zo allemachtig druk en ik heb het niet op mensenmassa's. Hoe de angst toch mijn leven regeert, je houdt het niet voor mogelijk. Ik wel. "Gaan we iets naar voren?" vraagt Ard. Ik vind het best, knik ik. Naar voren? Nóg meer de drukte in? Ik ben vrij. Helemaal vrij. Wat ga ik doen? Ik loop van het terrein weg. Ik loop. Geen idee waar naartoe. Wel waar doorheen. Door de straten. Het stormt in m'n kop. Leeg moet het. Nooit verandert er iets ooit. Ik passeer honderden mensen. Ze zijn dronken en geil. Ik zie veel te veel veel te blote armen en benen en buiken en decolletés. Maar goed dat ik mijn mes niet bij me heb. Ik heb helemaal geen mes. Ik lul maar wat. Ik krijg een kus. Lief. Dahaag.
Mijn mooie woonplaats Apeldoorn noemt zichzelf 'Stad in het groen'. Dan
verwacht je overal bosschages, parken en plantsoenen waarin je bij hoge
nood even op je gemak je gevoeg kunt doen. Niets blijkt minder waar.
Overal hebben bomen en bosjes en groenvoorzieningen
plaatsgemaakt voor kantoren, open terreinen en asfaltvlaktes. Ga daar
maar eens kakken. Zelfs het Parkje van Pythagoras is niet meer wat het
achteraf ook nooit geweest is.
Vorige keer in 'SOA:p':
Leopold heeft een rolladetang ingeslikt. Gelukkig komen de hulpdiensten nog net op tijd. Willy drinkt wat veel gin-tonics en moet nogal overgeven. Dat vindt Astrid niet leuk; zeker niet over haar nieuwe nachtjapon. Bo heeft jeuk aan die plasbuis. Barman Ter Ziele heeft het ook niet gemakkelijk. De vishandel van Van der Tong doet goede zaken, maar het vuur staat de eigenaar na aan de schenen. Sjaak doet een regendans die Albert erg dun doet poepen. Anita en Tineke proberen het aloude gebruik van fistfucken eens uit, maar vergissen zich in elkaars anus. En dan is daar nog Tinus. Als dat maar goed gaat!
Ik kijk niet naar het badpak. Ik kijk naar de vrouw die het badpak draagt. Wat een mooie vrouw. Maar liever zie ik dat ze dat badpak niet zou dragen. Hoe prettig ze er ook bij staat. Ze heeft kuis haar ene been iets voor het andere gezet, zodat je haar venusheuvel net niet goed kunt zien. Het leeuwendeel van haar heerlijke dijen is aan het oog onttrokken. Wel zien we haar smalle heupen en een niet al te gul decolleteetje. Voorts lange donkerblonde haren met iets een slag erin, leuke ogen en een sensuele mond waarin ik een spleetje tussen de voortanden kan zien. Ik zucht maar weer eens. In mijn fantasie zit ze boven op mij en kriebelen haar haren in mijn gezicht en heb ik mijn handen op haar heupen en ...
Vorige keer in 'SOA:p':
Sjaak koopt een biologische bos wortelpeterselie met wurmen erin. Bo doet zijn eerste heteroseksuele ervaring op, terwijl Anita haar teennagels lakt. Voorts heeft barman Van der Ziel een lastige aandoening aan zijn linkeroor, waardoor hij de noodkreet van zijn vrouw Pruttie niet hoort. Het onechte kind van Tinus blijkt een negertje te zijn, dat door niemand wordt geadopteerd. Tineke ondergaat een tepelcorrectie. Leopold heeft tijdens zijn pelgrimstocht naar Talinn een stormachtige relatie met de plaatselijke heilsoldate. Albert kakt zijn broek vol.
Meestal draagt ze zwarte jurkjes rond haar smalle lijf. Helaas bezit ze hoegenaamd geen tieten van enige betekenis. Je kunt niet alles hebben. Ze heeft ravenzwart krulhaar, waardoor haar bleke huid wat afsteekt. Op haar wangetjes zaten blosjes. In gedachten probeerde ik me voor te stellen hoe het zou zijn als ze met haar onderlip van beneden naar boven langs mijn toompje streek.
Vorige keer in 'SOA:p' :
Astrid heeft haar tenenkaas laten verwijderen, terwijl Tineke snode plannen maakt. Daarnaast blijkt Leopold de vader te zijn van het nog ongeboren kind van Nicolien. Tevens zoekt Sjaak naar het geluk des levens. Zomaar. Een stinkend zaakje, dat is wel duidelijk. Dat belooft wat.
Ik deed mijn ogen open. De rolgordijntjes die voor de ramen van de dakkapel hingen, hielden niet veel licht tegen. Er kwamen al zonnestralen langs heen mijn zolderkamer binnen. Ik gaapte. Hoe vroeg was het eigenlijk? Wacht, vandaag zou een belangrijke dag zijn. Een dag, waar ik lang naar uitgekeken had. Tsjonge, wie had dit ooit verwacht? Ikzelf niet eens.
In juni 2007 opperde columnist tuvokki het idee om met
alle columnisten gezamenlijk een soap te schrijven. Goed idee, maar er
kwam even niets van terecht.
Uw eigen bazbo nam razend enthousiast het voortouw. Hij ontwierp een locatie, personages en een duister plot.
Hieronder zijn piloot-aflevering uit 2007, die door alle columnisten werd afgewezen. Gelukkig maar.
Maar wordt vervolgd!
Dan breken de golven open. Ze komt uit de zee. Haar zwarte kleed zwiert in de wind. Langzaam loopt ze naar mij toe. Zinnelijk zijn haar schreden. Wat is ze beeldschoon. Nog heel even en ze is vlakbij. Mijn verlangen vervuld. Teder zal ik mijn vingertoppen over de zachte huid van haar armen laten glijden. Lieflijk zal ze haar ogen bij me neerslaan. Ze is er. Ik voel haar adem en ruik haar zoete parfum. Tonen van de roos en kaneel. Zo ver weg als ze nog is.
Vooralsnog wil ik het over een aantal zaken niet hebben. Want wie kan het wat schelen? Ik zou het niet weten. Ik weet sowieso niet veel. Ik wil ook niet veel weten. Als je kennis hebt, dan willen anderen daar gebruik van maken. Ik heb wel eens geschreven dat ik niet wil weten hoe mijn wasmachine werkt, want als ik dat wél weet, dan moet ik in het huishouden nog gaan wassen ook. Dat was niet waar. Of nee, het is wel waar. Ik wíl niet weten hoe de wasmachine werkt, maar ik weet het toch. Sterker nog: in huize Langereis doe ik de was.
Hoe haalde Rick het in zijn hoofd? Wat was er toch mis met die vent? Ik twijfelde niet aan zijn muzikale kwaliteiten. Rick was een begenadigd gitarist. Weliswaar iets te veel gericht op blues en het spelen van een solo – hij wilde in ieder nummer een ellenlange bluessolo spelen -, maar ik kon hem wel aan. Was dit een poging tot muiterij? Een hopeloze laatste zet om de bezetting van de groep naar zijn hand te zetten? Dit was mijn band. Dat iedereen het even wist.
"Deze móét je gewoon horen!" had Erik vanmorgen door de klas geroepen. Hij drukte me een grammofoonplaat in mijn hand. Ik bekeek de hoes. De naam en de titel zeiden me zo snel niets.
Ik haal de elpee uit de tas en streel de hoes nog maar eens. Het zwarte vinyl glimt een beetje als ik het uit de binnenhoes tevoorschijn haal. Voorzichtig leg ik hem op de platenspeler. Ik breng de arm naar de inloopgroef. Langzaam laat ik de naald zakken. Als hij in de groef zit, laat ik hem los. Ik houd mijn adem in en staar in het niets.
Vanuit de diepte klinkt een koboldenorkest, zo lijkt het.
Staat er op de poster. Een vrouw van halverwege de twintig is gekleed in een lange wijde zomerjurk, lichtgroen met grote bloemen erop. Ik zie tinten roze en bruin. Tegen de lichte achtergrond steken haar lange steile blonde haren en haar donkere ogen fiks af. Haar schouders en armen zijn onbedekt. Ze zit op een witgeverfde, maar afbladderende stoel, wijdbeens. De ellebogen leunen op haar bovenbenen. Ondanks dat ze wat stijfjes voorover gebogen zit, zwiert haar kleed luchtig rondom haar. Of verbeeld ik me dat maar? Ik verbeeld me wel meer.
Ik zit een verhaal te schrijven. Waar het over gaat, weet ik niet. Want inspiratie, waar haal ik het vandaan? Kijk eens om mij heen. Genoeg om het vandaan te halen. Regen in een plas. De wind door het beeld. Een rit in een bus. In mijn hand de pen en op mijn schoot het notitieblokje. De jonge vrouw zit driftig te sms'en. Ze draagt zwarte laarzen met iets een hak, een donkerblauwe spijkerbroek, een lichtbruin suède jasje, een enorme witte gebreide sjaal, haar donkerblonde haren in een krullende paardenstaart. In haar frisse open gezichtje zie ik blauwgrijze ogen en o god zo'n lachje op haar volle lippen. Ze legt haar mobiel opzij en zoekt even in haar tas. Uit een plastic zakje haalt ze een donkerbruine boterham. Het zakje knispert.
De mooiste plaats om te wonen is in Apeldoorn. Dat weet iedereen. Wist u het nog niet, dan weet u het nu. Ik heb er nogal kijk op. Dat komt zo. Ik ben er geboren en getogen en woon er nu al vijfenveertig jaar. Dan heb ik wel enig recht van spreken, dacht ik zo. Begin niet over 'bevooroordeeld' zijn of over oogkleppen, want ik heb ooit ook nog een maand of acht in Tilburg gewoond, dus ik weet waarover ik het heb.
bazbo is (g)een ware vogelaar. Lees zijn ornithologische logica!
Voer voor rare vogels!
Vandaag krijgt u er trouwens twee voor de prijs van één! En dat in deze barre tijden (financieel-economisch gezien, dan).
Die nieuwe werkplek van mij, daar ga ik niet te veel over vertellen. Ten eerste is het van een onbegrensde saaiheid; ten tweede gaat het u allemaal geen bal aan. Ik bemoei me toch ook niet met uw dagelijkse levensverrichtingen? Wat u doet in uw pogingen om nog iets van uw miserabele bestaan te maken, interesseert mij hoegenaamd geen ene rattenreet. Ik heb het al moeilijk genoeg mij staande te houden in mijn eigen grijze wereld; laat staan dat ik mij zou willen vervoegen in die van u.
De weg náár die nieuwe werkplek, die is andere koek.
Ik had ontdekt dat er aan de achterkant van dat schijthuisje een luik zat. Als je dat openmaakte, zag je van onderaf dat gat waar je op moest zitten. Ging ik, toen de dochter van de familie bij wie we woonden op de plee zat, in d'r billen knijpen. Kreeg ik me naderhand toch op m'n lazer.
Onze schoonmaakster is een Bulgaarse. Ik dacht altijd dat er uit Bulgarije alleen maar yoghurt kwam, maar nu verscheen daar plots een leuke dame. Nederlands spreken kan ze niet, dus dat bespaart een praatje en kan ze gelijk hard aan het werk.
Zelf ben ik veel te bang om naar haar toe te gaan. Opdringerig, dat wil ik niet zijn. Dus wacht ik af. En kijk naar de vrouw in het roze-zwartgebloemde jurkje. Ze is lief, ze is mooi, maar we zijn oud.
Ik knijp mijn ogen tot spleetjes. Niet dat ik hem niet goed kan zien, maar om hem beter te kunnen horen. Hij spreekt met een zwaar Schots accent en ik versta doorgaans nog niet de helft van wat hij zegt. Ik wil me concentreren op zijn woorden.
"Het kan zijn dat ik iets heb zien binnenkomen en dacht dat jij het wel mooi zou
vinden. Ik heb dat dan in het computersysteem op jouw naam gezet."
"Wil je dat dan nooit meer doen? Want dan krijg ik thuis een mail van
jullie dat mijn bestelling binnen is en dan krijg ik mijn Vrouwlief over
me heen: 'Heb je nou alwéér wat besteld? Waar halen we het geld
vandaan?' Ik heb mijn Vrouwlief graag over me heen, maar liever niet
scheldend en tierend, hè."
"Laffe rat."
Na zes dagen waren we die takkesneeuw wel zat, zeg. Gelukkig mochten we weer naar huis.
Het vliegtuig landde zonder al te veel brokken. Wel zaten er brokken in mijn kots. Had ik maar beter moeten kauwen.
"Goedemorgen," onderbrak de trut achter de balie mij. Ze pakte het bonnetje en deponeerde het in een miniprullenbakje. Ho eens even! Dat was mijn bonnetje! Mijn bewijsmateriaal dat ik wel degelijk aan de beurt was! Blijf eraf met je takketeventengels!
Had ik al verteld dat ik een nieuwe werkplek heb? Nee, nu niet gelijk
wegklikken! Ik begrijp dat je nu denkt: "Heb je hem weer met die eeuwige
nieuwe werkplek. Nu weten we het wel een keertje." Maar het is écht
waar! Ik heb sinds kort een nieuwe werkplek. Geloof me nou! Ga niet op
zoek naar andere viezigheid op deze site, maar blijf rustig doorlezen.
Alsjeblieft?
Deze Karin zag er leuk uit. Lange
krullende blonde haren, bol toetje, frisse ogen. Ze luisterde aandachtig
en ze lachte om mijn grapjes. Dat heb ik graag.
"Er zijn meerdere wegen die naar Rome leiden," zei mijn goede moeder.
Dit was een interessante situatie. De hekjes dwongen je om af te stappen,
maar kennelijk waren er ook andere keuzes te maken. De menselijke geest
is creatief. Er waren mensen geweest die duidelijk voor iets anders hadden gekozen. Dat zag je aan de sporen in de sneeuw. Zij hadden de
hekjes omzeild.
Ik fietste met mijn lege kratje Dommelsch achterop naar de supermarkt. Onderweg waren er zeker twee mensen die mij beleefd groetten. Ze kennen me. Ik ben een bekende Apeldoorner, geloof ik. Met een gelukzalig gevoel kwam ik aan bij de winkel. Mooie producten legde ik in mijn karretje. Ik ben een rijk mens. Bij de kassa zat een meisje met de mooiste ogen die ik ooit had gezien. En lief dat ze was. Terwijl ik afrekende, werd mijn hart warm.
Ik kijk haar aan, maar antwoord niet. Naast haar hoofd is het raampje. Achter het raampje is het donker. Gelukkig maar. Ik wil het niet zien. Er lopen druppeltjes over mijn voorhoofd. Het toestel maakt vaart. We gaan opstijgen. Snel kijk ik weer in de reisgids. Waar ben ik gebleven?
Alle reden heb ik dan ook. Potverdorie, wat ziet dit meisje er beeldschoon uit! Je verwacht het toch niet? Ik kom een paar dagen op vakantie naar deze stad om op adem te komen van een bijzonder jaar en voor ik het weet kom ik hier lucht te kort bij het gapen naar een mooie meid voor wie ik weer eens veel te oud en te getrouwd ben. Ik sta te zweten in Zweden.
Voor de zekerheid controleer ik de andere zak ook. En die van mijn dikke
winterjas. En alle binnenzakken. Geen ID-kaart. Toen ik vannacht mijn
fototoestel uit mijn zak tevoorschijn trok, moet mijn identiteitsbewijs
ongemerkt mee naar buiten zijn gegleden.
"Ik heb een probleem," zeg ik hardop.
"Wat
dan?" vraagt Vrouwlief vanuit de slaapkamer. Ze ligt nog in bed. Rust,
daar kwamen we voor. Het is half tien en nog maar net licht buiten.
"Ik ben mijn ID-kaart kwijt."
"Oh?" klinkt Vrouwlief geschrokken. "Wat nu?"
Zweten in Zweden.
"Sneeuwt het al?" had ik vooruit gemaild. Het sneeuwde als de ziekte. Kan de ziekte sneeuwen? Van mij wel. In de vliegende sneeuwstorm daalden we de trap van het vliegtuig af. Goedkoop, die prijsvechters op de markt van internationale vluchten, maar je loopt zo een kou op. Het was min twaalf.
"We moeten nog opschieten," zei Vrouwlief in de aankomsthal. "Om half tien hebben we de bus gereserveerd. Hoe laat is het nu?"
"Vijf voor half tien."
"Dat gaan we niet redden."
Die staf van mij, dat is een lekker wapen. Ik kan er fijne dingen mee doen. Keer op keer verras ik iedereen ermee. Mensen denken dat ik voor de kinderen kom, maar niets is minder waar. Toegegeven: bij het grut zitten leuke meisjes, maar liever trek ik de oudere zussen of desnoods de moedertjes op schoot.
Ze had niet alleen prachtige ogen; haar hele verschijning was om compleet verlegen van te worden. Groot was ze niet, eerder klein. Haar benen waren kort. Ze droeg een soort lang gebreid vest met een riem rond haar heupen en een zwarte legging en laarsjes. Haar lange donkere haren had ze in een paardenstaart gestoken. In een neusvleugel zat een zilveren knopje. Maar dat zag ik allemaal niet. Ik zag alleen maar dat hemelse lachje en die prachtige ogen.
Ik vond op zolder een oude doos. Ik trok de doos uit de stapel, stapte over en op alle troep die op de
onbegaanbare vloer van de bergkamer lag en ging ermee naar de
slaapkamer. Ik zette hem op het bed en ging er zelf naast zitten.
Voorzichtig vouwde ik de doos open. Wat zou erin zitten?
Bovenop lag bladmuziek. Gekopieerd uit een officieel muziekboek. Maar wat was dit hier? Onder de bladmuziek lagen een
paar nummers van de Penthouse. Sjonge. Had ik die gekocht? Dat kon niet
anders.
"R.I.P. Gamma", verschijnt er in het chatkanaal.
"WHAT?" reageer ik als een razende. Sneller dan dit kan ik niet typen. Ik trek de draadloze hoofdtelefoon van mijn oren en leg hem op het bureau naast de pc. Even niets anders aan mijn kop. Ik kan niet wachten tot ik antwoord krijg. Lang duurt het niet voordat mijn woordje een stukje naar boven springt en een zinnetje eronder zichtbaar wordt.
Het is echt zo.
"Jij begrijpt ook helemaal niks!" riep ik. "Hier! Hier ging het om!" Ik
gooide haar een stronkje witlof toe. Dat ging íéts te wild. Ze kreeg het
recht in haar gezicht.
"Waar is dát nou weer voor nodig?" gilde ze.
"Jij wilde toch weten waar het over ging? Maak het ook nog visueel
inzichtelijk voor de vrouw, is het wéér niet goed! Ondankbaar, die
wijven! Eerst moesten ze al een rib van ons hebben en dan krijg je dít!"
"Ik hoef dit niet te pikken," siste Vrouwlief. Ze pakte het stronkje witlof van de grond en smeet het in mijn richting.
Dat had ze beter niet kunnen doen. Ik had namelijk niet alleen de witlof
in mijn handen, maar ook een bos prei, een winterwortel, een
knolselderij en zo'n reuzenpompoen. Ja, het zou een forse maaltijd
worden.
Nora had een mooi lijf. Vooral haar kont mocht er zijn. Ik was heus niet de enige die vond dat ze een lekker gat had, maar ik wilde er eentje voor mijzelf. Een lekker gat, bedoel ik. Na vijftien schampschoten was het raak.
"Waar blijven die culicolumns toch? Eerder schreef je ze met enige regelmaat; nu moet ik er eindeloos op wachten!" Het is toch niet te geloven, welke fanmail ik allemaal krijg van de FOK!lezertjes. Niet om de kerels hier jaloers te maken, hoor, maar het is voornamelijk van vrouwelijke lezers. Velen vertrouwen mij de intiemste dingen toe. Bij sommigen stijgt de opwinding tijdens het lezen dúsdanig, dat zij de opwelling niet kunnen weerstaan om met de vingers in het natte onderbroekje te kroelen.
"Had je gezien dat je schoenen kapot zijn?" vroeg Vrouwlief.
"Hoe moet ik dat zien?" was mijn wedervraag. "Als ik ze aanheb, ben ik op de nieuwe werkplek en dan heb ik wel wat anders te doen dan op mijn schoenen te letten. Als ik ze niet aanheb, heb ik ze niet aan en zie ik niet dat ze kapot zijn."
"Ze zijn kapot," zei Vrouwlief.
"Wáááát?" riep ik uit. "Die peperdure Ecco's?"
"Ze zijn kapot."
"Nou ja, ik heb ze al een jaar of wat. Dan slijten ze."
"De zool van beide schoenen is gescheurd en bijna doormidden. Dat mag toch niet. Je zou ermee terug moeten."
Beste Hans,
Allereerst van harte gefeliciteerd met je verjaardag! Het is toch vandaag, hè? Je moet het me maar vergeven als ik er een paar dagen naast zit. Of een maand. Of langer. Het was toch niet al meer dan een jaar geleden, hè? Sinds een tijdje hebben we hier in huis geen verjaardagskalender meer. Ik moet het dus helemaal uit mijn hoofd doen. Bovendien hebben jij en ik de afgelopen tijd niet of nauwelijks contact gehad. Dat was vroeger wel anders. Weet je nog?
"Om u sneller van dienst te kunnen zijn, krijgt u nu een keuzemenu." Stik, dat had ik weer. Waarom kreeg ik niet gewoon rechtstreeks een vriendelijke damesstem aan de lijn die me gelijk kon doorverbinden? Nu moest ik wachten tot mijn probleem ergens in het rijtje genoemd werd en ik het bijbehorende nummer kon indrukken. Dat kost nog veel meer tijd. Na vier keer kiezen was het dan zover. Dacht ik. De telefoon ging over. "Wilt u muziek tijdens het wachten? Toets dan een één." Ik toetste geen één, want ik ben erg bang en allergisch voor André Rieu, Toots Thielemans en Mantovani. Lang kon ik niet van de stilte genieten.
Het meisje was aan het dansen met de oudere blonde dame. De oudere
blonde dame is een bijzonder aardige blonde dame en het meisje had een
goede kont. Niet zo goed als die van bardame Esther, maar toch.
"Wat zit je te kijken?" vroeg Vrouwlief.
"Ik ga eens piesen," zei ik. De autobiograaf is een man van niets, een man van nooit, een man van nergens.
"Wat een zeikmuziek, zeg," mopperde Vrouwlief dwars door de tonen van Djivan Gasparyan heen.
"Iedereen heeft het recht om geen smaak te hebben!" riep ik maar weer eens een keer.
Dat je niet van Mongoolse keelzang houdt, van Qawwali door Sufi's of van deze Armeense doudouk, daar kan ik wel iets van begrijpen. Ons Westerse gehoor is er eenvoudigweg niet aan gewend. Ik heb respect voor ieders voorkeuren. Maar om mijn ongebruikelijke passie nou gelijk af te doen als 'zeikmuziek', ging me even wat te ver.
Een nieuw stuk. Lekker. Maar hoe deed ik dat ook weer? Het was lang geleden dat ik nog een vrouw versierde. Ik was bang dat ik het verleerd was. Zou ik zomaar in zee gaan met de eerste de beste? Neen. Ik stelde hoge eisen aan mijn literaire minnares, aan mijn nieuwe stuk. Eens even een lijstje maken.
Achter de kratjes met appelen staat het meisje. Of de jonge vrouw. Wat
is politiek correcter? Ik ken haar wel. Ze heeft me al vaak geholpen bij
de aanschaf van fruit. Ze is niet al te groot; eerder klein. Ze is
bezig met een klant, maar ze ziet mij.
"Hallo," lacht ze. Haar ogen heeft ze een beetje dichtgeknepen.
Ik moest de kop in het AD een keer goed nakijken. Op het eerste gezicht las ik: 'De gele spatelzwam rukt weer af'. Dat was het bij nadere lezing gelukkig niet. Het zou ook wat zijn. Nee, de gele spatelzwam rukt weer op. Het onding leek jarenlang uitgeroeid in onze contreien, maar is onlangs weer eens ergens waargenomen. Daar zullen een hoop natuurfreaks op af komen. Zo zie je maar weer dat schimmel vaak voor ellende zorgt. Neem nu mijn badkamer.
Hier heb ik heel wat voetstappen gezet. Hoeveel zaterdagen heb ik hier doorgebracht? Iedere zaterdagmorgen vanaf negen uur was ik hier op deze plek te vinden.
De zon schijnt. De herinneringen doen pijn aan mijn ogen.
Hoe lang sta ik hier nu al? Nog geen twee minuten. In nog geen twee minuten zijn enkele belangrijke jaren van mijn leven aan mij voorbijgeflitst.
"KUT!" hoorde ik op de bovenverdieping.
Een half uur later kwam Vrouwlief de keuken binnen. Ik zat uitgebreid de
ochtendkrant te lezen aan de keukentafel. Ze zei aanvankelijk niets. Ik
wilde me niet opdringen (dat had ik die nacht al gedaan en lang en
lekker ook) en keek niet op. Vrouwlief zette koffie voor zichzelf.
Terwijl ze bij het apparaat wachtte, zei ze zachtjes: "Ik heb mijn bril
laten vallen."
Iedereen trouwt maar. Een paar weken geleden trad een van de grootste liefdes van mijn leven in het huwelijk met een vent die ik niet ken. (Allahmachtig, wat zag ze er schitterend uit!) Ze woont al een paar jaar met die klootzak samen. Acht dagen terug trouwde mijn goede vriend Bril. Voor de tweede keer. Voor de tweede keer met iemand anders. Voor zijn nieuwe vrouw is het ook al haar tweede huwelijk. Toe maar. Iedereen trouwt maar. Iedereen scheidt trouwens ook maar.
Ik ga verder met het voorlezen op het podium. Als ik klaar ben, ga ik nog wat te drinken halen bij de bar. Ze zit op een kruk met het ene been over het andere geslagen. Haar flesje cola staat op de toog. Ze drinkt eruit met een rietje. Ze moet haar rug buigen. Lurkend kijkt ze voor zich uit. Ik vind haar mooi en aandoenlijk en ik blijf even naar haar kijken en ik glimlach. Dan ziet ze mij. Ze lacht.
"Kunt u het vinden?" vroeg een griet nog vóór ik ook maar één blik in het rond hadden kunnen smijten.
Ik bestelde het benodigde en voor ik het wist stond ik bij de kassa een fortuin van mijn bankrekening af te pinnen. Ondertussen had ik leuk zicht op de griet en haar gulle decolleté. Kijk, en daar waren ze: pukkels op haar tieten.
De bus zat stampvol. Ik wurmde me door de mensenmeute heen naar achteren. Vlakbij de achteruitgang was iets meer ruimte. Daar greep ik een stang. Ik keek eens om mij heen.
Naast mij stond een jongeman van een jaar of twintig. Hij had twee grote weekendtassen voor zich op de grond staan. Hij keek door de ramen van de deuren naar buiten. Plots klonk er gepiep uit zijn jaszak. Hij haalde een telefoon tevoorschijn en bracht die naar zijn oor. Met zeer luide stem nam hij op.
De liefde van mijn leven. Bestaat hij? Of moet dat 'zij' zijn? Is liefde
mannelijk of vrouwelijk? Of misschien zelfs onzijdig? Even nakijken.
Het woord 'liefde' is vrouwelijk, vertelt mijn woordenboek. Hoe moet dat
dan als je een heteroseksuele vrouw bent? Dan is de liefde van je leven
ook vrouwelijk.
De liefde van mijn leven. Bestaat zij? Die vraag klopt niet. Het moet
zijn: Bestaan zij? Want hoeveel liefdes van mijn leven heb ik
ondertussen al niet gehad?
Ze droeg een wit hemdje en een grijs strak sportbroekje, dat wat versleten leek. Er zaten pluisjes op. Aan haar voeten droeg ze teenslippers en haar lange blote benen waren bruingebronsd. Ze had blonde lokken in haar lange steile bruine haren. Wat verlegen keek ze uit haar donkere ogen. Als ze lachte, drukte ze haar tong van achteren tegen de voortanden van haar bovenkaak. Ze stond in de klassieke pose, geleund op één been, het andere iets naar binnen toe gebogen. Eén onderarm hield ze omhoog; in haar hand lag haar fotocamera.
Was ik het? Ik had nog geen idee. De avond zou het uitwijzen. Wat ik wel wist, was dat ik trek had in Korenwolf. Ik bestelde er eentje bij de blonde barmeid. Verveeld tapte ze. Met een chagrijnige smoel gaf ze me mijn witbier. Ik negeerde haar gezicht en liep met mijn glas naar de tuin.
Hoera! Mijn vakantie is begonnen. Vandaar dat ik me er in deze column lekker makkelijk van af maak. Wat kan mij het schelen. Mijn vakantie duurt drie weken, dus bereid je maar vast voor op drie kutcolumns. "Vakantie, daar rust je op je werk van uit," is een uitspraak van de beroemde filosloof Bas Langereis. De theorie klopt. Dóódmoe word je ervan. Van vakantie dan. Ik zal dat uitleggen.
Mijn oog viel op een krantenrubriek die ik normaal gesproken oversla: de horoscoop. Even voor de grap kijken wat het lot vandaag voor mij in petto had. Al snel vond ik het mooie sterrenbeeld Stier. "De e-mail die je vandaag krijgt, maakt een diepe indruk op je," las ik.
Waarom mag je geen grappen over kanker maken? Is dit dan het laatste taboe? Hoog tijd dat we het doorbreken. Laten we eens wat vrolijke voorvallen op een rijtje zetten.
Ik heb een nieuwe vriendin. Helemaal gek ben ik met haar. Het liefst zou
ik haar de hele dag dicht bij me hebben. Zachtjes streel ik dan haar
mooie zachte ronde vormen. Ik kan bijna niet zonder haar.
Met die prachtige rondingen brengt ze de ware man in mij naar boven. Als
ik haar zie, loop ik vol van lust. Lust om haar te bestijgen. Mijn
bewegingen beginnen traag. Ik neem het initiatief en geef het ritme aan.
Langzaam voer ik het tempo op. Mijn lichaam raakt bezweet. Samen komen
we in de perfecte cadans.
Maar dat had ik al verteld. Ik ga het niet nog eens uitleggen. Ik blijf niet aan de gang. Voor een ieder die op de hoogte wil blijven, zou ik zeggen: google er eens op. Je weet nooit wat je tegenkomt. Met een beetje mazzel kom je tegen wat ik vertelde. Dus dan weet je waar het vandaan komt. Dat je niet denkt dat ik alles uit mijn duim zuig. Ik zuig nooit iets uit mijn duim.
Zo warm als het vandaag is, dat is gewoon smerig. Mijn lijf plakt aan alle kanten. Eigenlijk zou je met dit weer geen kleren aan moeten trekken. Het is echt geen-klerenweer. Toch draag ik mijn wijde zomerbroek en een zwart T-shirt met de kop van Frank Zappa erop. Zowaar, het is hier nog rustig. Ik zit een kop thee te slurpen. Het moet niet gelijk van dat bier zijn.
De piemel is toch een wonderbaarlijk orgaan. Dat had je niet gedacht, hè? Ik had het ook niet gedacht. Ik denk normaal aan heel andere dingen. De mooie billen van Vrouwlief bijvoorbeeld. Geloof het of niet; het zijn werkelijk zeer mooie billen. Als ze bukt, loopt het water me in de mond en het bloed naar de piemel. De piemel, wat is het toch een wonderbaarlijk orgaan.
Soms word je door een boek zódanig bij de strot gegrepen, dat je het onmogelijk opzij kunt leggen. Mij overkomt het zelden tot nooit. Oké, ik heb het bij zo goed als alle werken van John Irving en Herman Brusselmans, en vaak ook bij boeken van Dimitri Verhulst, Redmond O'Hanlon, Paul Theroux en Julian Barnes. Maar niets haalt het bij het boek dat nu voor mij ligt.
Maar natuurlijk, lieve Lezeressen! Heel graag voldoe ik aan uw persoonlijke wensen. Ook ik vond dat het hoog tijd werd voor een nieuwe culicolumn. Al veel te lang heeft u het moeten stellen zonder mijn opwindende recepten en avontuurtjes uit de keuken. Maar aan uw zenuwslopende wachten komt dra een einde. Want hier is hij dan: een nieuwe culicolumn!
Kijk, daar zit ze. Als zij er is, dan is het altijd gezellig.
Het mooiste van een vrouw is haar lach. Zeg dat ik het gezegd heb. Ik heb dat al heel vaak gezegd. En geschreven. Neem het nou eens van mij aan! Als ze lacht, dan is ze er.
De solo op het podium was niet eens slecht. Dat vroeg om inzoomen op
vingers en de gitaar. En dus om mijn aandacht. Die Eelco Gelling was
opeens helemaal niet zo afwezig en dement en sneu, maar een heuse
Nederlandse blueslegende. Toen het nummer afgelopen was, was het eerste
deel van het optreden ook afgelopen.
Ik keek snel links van mij. Of
de leuke jonge vrouw er nog stond. Het leven is kut. Ze was weg.
Had ik al verteld hoe gul Emile en Cynthia zijn? En dan bedoel ik niet gewoon gul, maar gul met hoofdletters: G. U. L. GUL! Het best merk je dat als er een feestje valt te vieren en geloof me, als Emile en Cynthia in de buurt zijn, dan is het feest nooit ver weg.
Nooit verandert er iets ooit. Daar was ze. De vrouw die onbedoeld en ongewild een tijdlang een liefde van mijn leven was en mijn woelige wereld nog verder in de war schopte. Hoe oud en getrouwd ik ook was. (En ben. En blijf.) De slapeloze nachten die ze me bezorgde, zijn even ontelbaar als de brieven, verhalen en boeken die ik over haar schreef. Nóg meer brieven, verhalen en boeken over haar schreef ik nooit. Zij liggen opgeslagen op de verre speelzolders van mijn bovenkamer. Daar was Marianne.
"De kreet van dit jaar," zei ik. "Je kunt het niet afdwingen. Die dient
zich vanzelf aan."
"Het lijkt wel een wind."
De kreet van dit jaar hadden we nog niet, maar het gegniffel was al wel
begonnen.
En. Toen. Klonk. Er. Een. Toeter!
Geen gewone toeter, maar eentje met een zeer diep, rommelend, bijna didgeridoo-geluid. Een brulbuis. Met het volume van een olifant die in je oren stond te trompetteren. Niet even, maar onophoudelijk. Het lawaai sneed door alle botten die je maar in je lijf hebt.
"Potver." Dit was de ergste Trojaan die je ooit had gezien. Binnen een
minuut zat alles vast en kreeg ik foutmelding op foutmelding op
foutmelding.
"Vanaf uw pc worden spamberichten verspreid aan anderen," vertelde de
computer.
"Lekker," zuchtte ik.
Minder lekker was de aangebrande aardpeersoep.
"Wat is dit?" vroeg Geertje met een beetje vies gezicht.
"Vind je de wijn niet lekker?" werd ik wat bezorgd. "Zit er kurk in?" Ik had maar één fles.
"Dat is het niet," zei ze bits. "Maar je kunt wel wat leukere muziek opzetten."
Ouderdom komt met gebreken. Het leven is kut. Daar ging mijn stoere look.
Eerst een nieuwe werkplek waardoor ik dat vieze lange haar in een staart moet dragen en jasjes en overhemden moest aanschaffen, toen James Mayshirts en nu dan ook nog eens een bril.
Dat lange haar draag ik thuis gewoon los, hoor. Lang leve de vrijheid.
Een bril. Ik keek er niet echt naar uit. Zo'n ding dat bij mooi weer van je neus af zweet. Toch was het wel nodig.
Ik heb een nieuwe werkplek. Of nee, ik heb er twee. Op één van die nieuwe werkplekken hing een bordje op de wc-deur: "Vanwege verstopping toilet niet gebruiken." Dat lijkt me logisch. Als je last hebt van verstopping hóéf je het toilet niet te gebruiken. Wat een overbodige mededeling, zeg. Zonde van de kostbare tijd. Als je je toilet langer schoon wilt houden, houd je dan aan het dieet van ontbijtkoek, bananen en witbrood.
Allahmachtig, ik ben vandaag vijfenveertig jaar oud geworden.
Ik heet Bas Langereis en werd geboren in Apeldoorn op 17 mei 1965 om tien over drie
in de middag. Zo rond theetijd zal het geweest zijn. Mijn vader was op
die dag niet aanwezig; hij was druk met het uitvoeren van zijn baan als
vertegenwoordiger in plastieken afwasteiltjes. Tja, er moest nu eenmaal
brood op de plank komen, zéker met nog een eter erbij binnenkort.
Maar moet je hier eens kijken! In deze tuin staat een grote houten ooievaar. Vlak voor het raam hangt een enorm spandoek. Ik hoef mijn leesbril niet op te zetten. In koeienletters en met zwarte verf staat er op het doek geschilderd:
Maar wacht eens. Vrouwlief ging dus een avondje weg. Dat komt niet zo
heel veel voor. Ja, ze gaat wel vaker een avondje weg, maar dan ga ik
mee. Nu ging ik niet mee en was ik dus een avondje alleen thuis. Ik
begon mij te verheugen op een avondje mijn eigen dingen doen. Wat zou ik
eens gaan uitvreten?
Ik zou natuurlijk een hoer aan huis kunnen laten komen...
Is de lente nu dan echt begonnen? Ja, ik vroeg het aan u! Geef eens antwoord dan! O. U weet het ook niet.
De bomen zijn weer volop groen en overal zie je bonte bloemenpracht. In het Kanaal en in de vijvers langs de Kayersdijk hier in het mooie Apeldoorn wemelt het alweer van de eenden met enorme gezinnen. Begin april zag ik het eerste nest. Een moeder met zes kuikentjes. Wat schattig. Die pluizenbolletjes spartelden achter hun mama aan. Net als ik, lang geleden.
Vandaag is het achterbuurmeisje jarig.
Je moet er toch niet aan denken. Als mens zijnde bestaan er slechts twee
gruwelijke gedachten.
De eerste is dat je ouders seks hebben. Iedereen mag vies doen, maar
niet je vader en je moeder en zeker niet met elkaar. Het idéé alleen al.
En de tweede?
"Goedemorgen," zeg ik op rustige en lage toon.
In de hoogslaper zie ik beweging. Een hoofd komt omhoog.
"Het is kwart voor zeven," zeg ik. "Word je wakker?"
Er klinkt een geluid.
"Hé, ik ga. Veel succes vandaag op school. Ik zie je vanavond."
Er klinkt een geluid.
Ik draai me om en stap de overloop op. Iets verderop is onze eigen
slaapkamer. Zal ik haar gedag zoenen?
De zon doet me bijna pijn aan mijn ogen. Het is warm, maar hier op het
water maakt de wind veel goed. De veerboot vaart gestaag over de
bescheiden golven. Ik sta bij de achtersteven en zie hoe de schroef
witte schuimsporen maakt in het donkere water. Het vasteland verdwijnt
langzaam in de verte. De zon zakt al wat. Vandaar dat hij zo scherp in
mijn ogen snijdt. Het is laat in de middag.
Iemand heeft me gevonden.
"Mag ik bij jou zitten?" vraagt ze.
Ik stop ermee. Het is mooi geweest.
Vandaag is de dag.
Drie jaar en drie maanden lang heb ik nu iedere donderdagmorgen een
'column' geplaatst. Nooit verzaakt.
Om kort te gaan: de lol is er gewoon vanaf.
Het tijdschrift Psychologie Magazine heeft onderzoek gedaan onder
zeshonderd abonnees. En wat blijkt? Maar liefst 99% van de
ondervraagden vertoont alledaags dwanggedrag. Bijna iedereen heeft wel zo'n
kleine obsessie. De meeste mensen zien het niet als dwangtrekje. De
onderzoekers hebben ook niet de indruk dat deze mensen er onder lijden.
"Gék word ik van al die nonchalance hier in dit huis!" brul ik tegen Vrouwlief.
"Nou zeg, je hoeft niet zo te schreeuwen, hoor."
"IK SCHREEUW NIET!"
"Hoe lang is het geleden dat jij hier bent geweest?" vraagt Vrouwlief.
"Even denken," antwoord ik. "Het was met school. Ik zat in de vierde of
de vijfde van de Havo. Ik was achttien, dus dat is dik vijfentwintig
jaar geleden."
"Dan zal er wel veel veranderd zijn?"
Ik kijk het Wenceslasplein over. Is er veel veranderd? In mijn
herinnering was dit een kille, grijze stad.
Ze leek me wel een heel net meisje. Zo kaarsrechtop als ze zat, zo
fijntjes als haar beweginkjes waren. Een popje. Zo'n meisje dat je ervan
verdenkt dat ze nooit naar de pot gaat om te poepen. Plassen, ja dat
zou ze zeker wel doen. Plassende meisjes zijn lief. Dit meisje was ook
lief, dat zag je zo. Aan de andere kant deed ze me ook wel een beetje
denken aan de prinses op de erwt. Een mooi kind, maar wel erg verwend.
Zoals ze zat, zo had ze inderdaad ook wel iets statigs, iets
koninklijks. Sierlijk, bijna plechtig overhandigde ze de kassabon aan de
meneer twee plekken voor mij.
Zou ik durven te vragen of ze nieuw was? En hoe of ze haar werkzaamheden
vond?
Aan de overkant van de gang stond de deur open. Daar zag ik een lange vrouw gebogen over haar tafel. Ze droeg een zwarte pantalon, een zwart truitje met strakke mouwen en een rode overgooier eroverheen. Ik had wel eens bij een vergadering gezeten waar zij ook aan deelnam. Ze leek me wel een aardig mens. Hoe oud zou ze zijn? Van mijn leeftijd? Ze had kleine tietjes. Dat geeft niets. Op het werk ga ik toch niet op de versiertoer.
Wat een mooi meisje is het toch! Ze kijkt me aan. Op sommige momenten ben ik een gelukkig man.
"Hoi," zegt ze.
"Hoi," knipoog ik terug.
Ze loopt weg. Dat is dan weer minder. Even kijk ik haar na. Dan loop ik
het toilet in. Deze keer ga ik zittend plassen. Zou de bril nog warm
van haar zijn? Ik doe mijn broek en onderbroek naar beneden en ga
zitten. De bril voelt koel aan. Misschien heeft ze alleen maar haar
handen gewassen of haar haren op orde gebracht. Stik. Dat heb ik weer.
Is er dan niets dat aan haar aanwezigheid herinnert? Nee, dat is er
niet. Ze heeft zelfs geen wind gelaten, zo lijkt het.
Het was een mooie meid met lang donker haar en heldere ogen. Ze droeg een strakke spijkerbroek en een zwart truitje met een riem eroverheen. Haar laarsjes hadden nauwelijks een hak. Ik móést wel naar haar kijken. Ze was in gesprek met de zanger van de band en ze stond veel te lachen. Ik houd heel veel van vrouwen die veel lachen. Dat mag ondertussen bekend zijn.
Zoals iedereen weet, doe ik graag boodschappen. Niet vanwege de
boodschappen, maar vanwege de meisjes van de kassa. Uren kan ik naar ze
staren. De rij bij de kassa kan mij niet lang genoeg zijn. Uiteindelijk
voer ik een verlegen gesprekje bij het afrekenen en zucht ik diep als
ik het winkelwagentje naar mijn fietstassen duw.
Ik rekende af bij Mandy. Leuke griet. Kijkt een beetje schaapachtig,
alsof ze haar IQ kan tellen op haar vingers. Dat kan ze niet. Daar is
ze te dom voor.
Line, zo heet de mooie dame van de receptie. Tenminste, als dat wat op
het bordje op haar uniformjasje staat haar voornaam is. Ik stamp nog
wat sneeuw van mijn schoenen en hoop dat het niet erg is. Het is niet
erg. We krijgen de sleutel van onze kamer 309. Die is op de tweede
verdieping. Toch moeten we in de lift op knopje 3 drukken. Knopje 1 is
de begane grond. En ik maar denken dat ze dit soort grappen alleen in
België uithalen.
Onze kamer is ruim en mooi. Het bed is groot en zacht. Dat wordt nog wat.
Hoe zou ze er in het dagelijks leven uitzien? Zwarte kleren of juist heel fel gekleurd met veel rood en fluorescerend groen? Zou ze een piercing dragen? En waar dan? Ik keek naar haar neus, maar kon behalve een puistje geen andere onregelmatigheid ontdekken. Door haar lip? En welke dan? Nee, die lippen van haar zagen er puntgaaf uit. Potjandosie, ik betrapte me er weer eens op dat ik me hier gewoon stond te vergapen aan een jonge meid voor wie ik veel te oud en te getrouwd ben. Maar wat maakte het allemaal uit?
Wat gaat de tijd snel, zeg. Het is alweer bijna twaalf uur. Zal ik nog
één kopje koffie nemen? Ik sta op van mijn bureau en loop naar het
aanrecht. Even het water opwarmen en een verse pad in de houder doen.
Daar gaat-ie weer: het geluid van de Senseo overstemt de muziek uit de
boxjes. Dat is jammer, want het gitaargeweld van Mike Keneally is nu
juist zo gaaf.
Je moet het op je nieuwe werkplek zo aangenaam mogelijk maken. Zeg dat ik het gezegd heb.
Hartelijk welkom in de mooiste stad van Nederland. Of nee, de mooiste stad van de hele wereld.
Natuurlijk, ik hoor nu alweer mensen roepen dat Apeldoorn geen stad is, omdat het geen stadsrechten heeft.
Laat ik dan vooraf één ding duidelijk stellen.
(Met deze column verwelkomde bazbo de gasten tijdens de FOK!columnisten-voorleesvoorstelling op zondagmiddag 24 januari in Art Café 'Sam Sam' in Apeldoorn.)
Met een klap viel de voordeur achter Albert dicht. Snel deed hij zijn schoenen uit. Ze zaten onder de sneeuw. Hij hing zijn jas aan de kapstok en deed zijn sjaal af. In de woonkamer was het lekker warm. Albert controleerde de thermostaat. Negentien graden was het nu. Daar mocht nog wel een graadje bij. Zorgvuldig draaide hij aan de ronde knop. Een beetje warmte in deze koude tijden was hard nodig, vond hij. Zo, nu eerst koffie maken, want daar was hij wel erg aan toe. Op de keukentafel stond de lege koffiemok en het waterglas van Eva. Albert pakte ze beet, drukte ze even tegen zich aan en zette ze toen op het aanrecht.
"Wachten duurt lang. Zeker als het veel tijd kost."
"Wat klets je, pa?" vroeg mijn Zoon.
"Zeg dat ik het gezegd heb."
"Je praat weer eens wartaal."
"Vraag jij je nou nooit eens af, jongen: zou ik later ook zo worden?"
"Wat bedoel je?"
"Ik schaamde mij vroeger kapót voor mijn ouders. En dan dacht ik: o, laat mij alsjeblieft later niet ook zo worden!"
bazbo beleeft de herfst met weemoedige gedachten aan het fraaie verleden vol verdwenen vrouwen ...
Aflevering 1: Jij nog bier?
Ik ben nogal slecht met openingszinnen. De vrouw die op de barkruk naast mij zat, had mij dan ook al snel gevloerd met een rechtse ram tegen mijn kop.
"Misschien was het niet zo'n goede zin om mee te beginnen," dacht ik.
Niet onaardig meisje,
Ik weet het; het is abnormaal. Wat moet een getrouwde man van vierenveertig nou met een niet onaardig meisje als jij? Misschien is 'meisje' ook wel niet meer het woord dat bij jou past. Toch blijf ik die naam gebruiken. Het is nu eenmaal de naam die ik je zeventien jaar geleden gaf. En toen vond ik je een niet onaardig meisje.
Soms gaat er wel eens iets mis in het leven. Zelfs bij columnisten. Vandaag lukte het de vaste columnist niet om iets te plaatsen en dus viel er een gat. Welnu, bazbo was genegen om er direct in te springen (in dat gat). Hier leest u zijn vervangende column.
Ik keek tegen de achterkant van een prettig bukkende meid aan. Toen ze rechtop kwam en bij mij in het bushokje ging staan, zag ik dat het een jonge vrouw was van vóor in de twintig. Ze had haar donkerblonde lange haren over haar schouders en dikke sjaal hangen. Twee glinsterende blauwe ogen keken me aan. Ze kwam iets dichter bij me staan. Een aangename mentholkauwgumadem kwam me tegemoet. Ze rook lekker. Ik keek haar eens goed aan. Ze was een leuk ding en had een fris gezichtje met sproetjes rond haar neus.
Zo vroeg in de morgen en ik had het al niet koud meer.
Carlo Piemol gaat op bezoek.
Bij tante Huppeldepup en ome Nogwat.
Tante Huppeldepup heeft een probleem.
Ze kan haar plas niet meer ophouden.
Een leerzaam zeikverhaal over urineverlies.
Carlo Piemol is druk.
Hij legt de nichtjes Tok en Tak over de knie.
Maar wat ziet hij daar?
Een leerzaam verhaal over ...
ja waarover eigenlijk?
"Oooooh!" roept Vrouwlief. "Ik ken dat spul nog wel!"
Zoonlief kijkt niet-begrijpend.
"Ik ga snel nog eens pasta maken," zeg ik.
"Doe dat," zegt mijn zoon.
"En drie keer raden wat ik er dan naast zet in plaats van die eeuwige Parmesan van mijn kaasboer van de markt?"
"Je wáágt het niet!" roept Vrouwlief. "Ik ken weinig redenen om van je te scheiden, maar ..."
Ik hoor het niet, want ik denk al aan de maandagmarkt.
Carlo Piemol loopt op straat.
Hij ziet veel rommel liggen.
Carlo Piemol ergert zich eraan.
Maar het ergst zijn de mensen.
Een leerzaam verhaal over zwerfvuil. En daklozen.
Carlo Piemol moet even weg.
Zijn collega's willen weten waarom.
Carlo Piemol legt het uit.
Iedereen wordt enthousiast!
En wil dat óók!
Een leerzaam verhaal over figuurpoepen.
Carlo Piemol doet eens gek.
Hij gaat met zijn nichtjes naar de disco.
De nichtjes krijgen een breezer.
In ruil voor iets.
Een leerzaam verhaal over goedkope seks.
Carlo Piemol ligt in bed.
Dan gaat de deurbel.
Het zijn tante Huppeldepup en ome Nogwat.
Ze zeggen dat Carlo Piemol niet in bed mag liggen.
En ook niet mag winkelen.
Het is zondag en de zondagsrust is heilig!
Een leerzaam verhaal over zondagsrust.
Zou er iets te zien zijn? Wat zou ik moeten zien? De televisie, natuurlijk!
Wacht, hier zijn de gordijnen open en er brandt licht. Zal ik dan eindelijk blote mensen zien die 'het' aan het doen zijn? In mijn hoofd borrelen beelden op van vrouwelijke billen en borsten, schaamhaar en een grote stijve mannenpiemel.
Op de televisie zie ik een groen voetbalveld. Stik.
Neef Noga komt uithuilen bij Carlo Piemol.
Neef Noga is depressief.
"Alles is kut."
Neef Noga snijdt zichzelf.
Een leerzaam verhaal over automutilatie.
bazbo op saunabezoek. Dit keer heeft vrouwlief iets extra ontspannends geregeld: een behandeling in de hamam!
We moeten de badjas aan een haakje hangen en plaats nemen in een kleine stoomcabine. Samen met twee jonge meisjes.
De radar staat altijd aan. Laat ik daar heel eerlijk over zijn. Overal en altijd zijn mijn voelhorens op zoek naar mooie meiden en fijne vrouwen. Niet dat ik thuis te klagen heb, hoor. Integendeel. Maar het is sterker dan ikzelf. En in zo'n sauna is het aantrekkelijke aanbod best groot.
Als we binnenkomen, zit de hele zaal vol. "Allemensen, wat een mensen," zeg ik. "Waar zit de jarige?"
Het is nog een hele zoektocht. Na een kwartier vinden we hem.
"Nou, gefeliciteerd en hier is een enveloppe en doe ermee wat je leuk vindt en je vriendin ook proficiat en wat een leuke kinderen heeft ze en wat is het hier gezellig druk en wie hoort nou bij wie en wie is nou wat van wie en zijn daar nog plekken vrij en doe mij maar een biertje."
"Tast flink toe," zegt de jarige. "Hou je niet in."
Ik begrijp dat het een eenheidsprijs is voor een hele avond schransen.
"Voor iedereen die dit stuk gaat lezen, heb ik een mededeling. Ik ga geen flauwe grappen maken over het feit dat ze in Groot-Brittannië aan de verkeerde kant van de weg rijden. Die kennen we nou wel, zeg."
Er blijft genoeg te schelden over, als het om Engeland gaat. Wat een takkeland! bazbo maakt zich boos over de Teringbritten.
Allemensen, wat wilde ik dit meisje plots dolgraag van achter bij de heupjes pakken. Ik zou mijn hoofd op haar schouder leggen en haar onverwacht in haar hals zoenen. Zij zou zich verrast naar me omdraaien, haar armen om mijn nek slaan en haar lippen op die van mij drukken. Wat zou volgen, was een hitsig tafereel waarin we in de donkere kast stonden te vieziken. Hoofdrolspelers in het tafereel zouden zijn: vier handen, twee ronddansende tongen, twee kleine tietjes, mijn harde plasser en haar strakke achterwerk.
Als ik droom, dan ga ik dood. Altijd ga ik dood, word ik vermoord en is dat het enige dat ik van mijn droom kan herinneren. Nooit voel ik pijn, de pijn van de kogel die mijn vlees openrijt of mijn hersenen doet spetteren, het breken van mijn botten als ik in de kloof te pletter stort, of het zompen van mijn weefsel als het mes zich een baan zoekt door mijn organen.
Weekend! Dáár kijken we naar uit. Tenminste, ik wel. Niet dat werken zo erg is, maar ik kan mij leukere dingen in het leven voorstellen. Weekend, bijvoorbeeld.
Heerlijk! Ik zette al mijn spulletjes op de kunststof tafel en ging zitten in de tuinstoel. Langzaam slurpte ik wat koffie. Op het moment dat ik mijn voeten op het krukje legde en de eerste krant wilde openslaan, klonk in de verte getoeter. Kan gebeuren.
"Wat zullen we vandaag eens eten?" vroeg ik me af, terwijl ik het boodschappenkarretje tussen de geparkeerde fietsen door naar de ingang van de supermarkt duwde. Het biologisch groentepakket bevatte deze week prei, groene bloemkool, zomerbietjes, sla, andijvie en kerstomaatjes.
Ik koop nooit groente en fruit bij de supermarkt, dus die deernes achter de kassa zullen zich vast wel eens afvragen hoe ongezond ik leef. Niet dat het me wat kan schelen, overigens.
Nou ja, bij één kassameisje maak ik een uitzondering. Bij háár kan het me wél wat schelen wat ze van mij denkt.
Nu is het mooi weer. De zon schijnt en het voelt warm aan. Het is maandag, en dan werk ik alleen 's middags. Of had ik dat al eens verteld? Ik heb zojuist kaas gehaald op de markt. Op de hoek staat een basisschool. Ervóór ligt een grasveldje. Het is kwart over twaalf, dus de school heeft pauze. Op het voetbalveld zit een hele groep kinderen. Een vrouw staat rechtop; de kinderen zitten doodstil in kleermakerszit. Zie ik dat nou goed of hebben ze allemaal hun oogjes dicht?
Vanuit de opening van de keukendeur klinkt muziek. David Sylvian zingt: "It's a wonderful world." Hij heeft gelijk.
Ik lig onderuit in een tuinstoel. Naast mij, op de terrastafel, staat een halfvol flesje Dommelsch bier. Ernaast liggen twee kranten van vandaag. Het is stil in de tuin. In de lucht vliegt een vliegtuig. Met witte strepen erachteraan. In de boom zit een ekster, die krast. De lage zon schijnt fel in mijn ogen.
Even kwam de regen met bakken uit de hemel. Heel even. Toen werd het gewoon wat druilerig, en iets later zelfs helemaal droog. Ik fietste tegen de wind in, met mijn paraplu omhoog. Niet dat het veel hielp. Het laatste stukje had ik mijn paraplu dichtgeklapt op het stuur van mijn fiets liggen. Mijn bovenbenen waren nat. De temperatuur voelde broeierig aan. Om mij heen hing de zompig doffe geur van zomergroen.
Maar wat was dat? Degene die achter mij fietste, was óók rechtsaf de stoep opgegaan! Zo onopvallend mogelijk wierp ik een blik opzij. Ik wilde weten wie of wat het was. Vanuit mijn ooghoek zag ik niet wie, maar wel wát het was. Een vrouw! Een jonge vrouw! Wat leuk!
Aan het eind van het paadje moest ik links de straat op en dan direct weer de eerste weg rechts. Eens kijken wat de vrouw achter mij zou doen. "Ze blijft achter me aan fietsen!" gierde het in mijn keel. "Ik word achtervolgd!"
Allerlei spannends schoot door mijn hoofd. "Ik heb een stalker! Zou het iemand zijn die mij een lekker ding vindt en meer van mij wil weten?" Wat een geile gedachte, zeg.
Ineens klopt er iemand op mijn schouder. Ik kijk. Het is een dame gekleed in een kostuum, een pak. Ze ziet eruit als van de bewaking of zoiets.
"Wilt u de zaal verlaten?" zegt ze in mijn oor. Heb ik dat goed verstaan?
"Wat zegt u?" buig ik me naar haar toe.
"Wilt u de zaal verlaten?" herhaalt ze streng.
Ik haal mijn schouders op en laat haar mijn lege handen zien. "Waarom?"
Ze legt een hand op mijn schouder en duwt me in de richting van de uitgang. Ik ga haar voor. We dringen ons door het publiek. Men gaat opzij.
Maandagmorgen. Ik heb mijn zoon de deur uitgewerkt. Hij moest om half acht op. Traag hees ik mij in de kleren van gisteren die ik op de stoel naast mijn bed had gegooid. Toen liep ik naar de slaapkamer van mijn zoon en maakte ik hem wakker. Beneden bereidde ik koffie voor mijzelf en zette ik zijn ontbijtspullen klaar. Drie kwartier later deed hij de voordeur achter zich dicht. Ik had mijzelf weer naar boven gesleept en uitgekleed. Ik viel uitgeput op bed en onmiddellijk in slaap.
"Plok!" hoor ik in het kamertje naast mij."Allemensen, wat een sinterklaasweer, zeg!" De regen komt met bakken uit de hemel. Terwijl ik over de straat strompel, mompel en mopper ik in mijzelf. "Waarom doe ik dit soort dingen toch? Ik kan geen nee zeggen, dat is het hele eieren eten. Welke idioot vraagt nou of ik dit soort dingen wil doen? Invallen voor een sinterklaas-uitzendbureau. Hoe verzin je het? En ik trap er in."
"Beste mensen, we gaan beginnen!" zei ik. De klas praatte gewoon door.
"Kom op, jongens! Tassen van tafel, draai je om, gezichten deze kant op. Dan gaan we starten."
Het leek er niet op dat de klas hoorde wat ik zei.